Categorieën
Actueel

Volwasseneneducatie van Eckart Wilkens

Het gesprek als vormend en ont-vormend

In de zomer van 1958 heeft Rosenstock-Huessy een aantal colleges gegeven in Munster, in Duitsland, telkens 2 uur achter elkaar, vanaf 6 mei tot 16 juli. Rudolf Hermeier en Jochem Lübbers hebben de mondelinge tekst bewerkt en uitgegeven, in 2002, onder de titel Die Gesetze der Christlichen Zeitrechnung (Agenda Verlag). Soms wordt er uit de zaal een vraag gesteld, en ook dat is opgetekend. Het gebeurt niet zo vaak. Meestal lijkt Rosenstock-Huessy het hinderlijk te vinden. Het haalt hem uit zijn verhaal. Hij wil ergens naartoe. En, dat moet erbij gezegd worden, zo’n vraag is ook niet altijd van voldoende kwaliteit. Toch merkt Rosenstock-Huessy aan het eind van de lessenserie op dat hij ook wel heel anders te werk had kunnen gaan. De hoorder moet immers op het juiste moment het juiste woord horen om het te kunnen vernemen en op te nemen. In een college gaat zoveel aan je voorbij. Dus, zo zegt hij, had hij ook kunnen aansluiten bij de vragen die er leven bij de deelnemers. Dan had hij ook zijn verhaal zo kunnen opbouwen. Aan de welwillende lezer die opgemerkt heeft hoe doorheen deze lessen vragen van deelnemers behandeld werden, ontlokt dat een lichte glimlach.

Toch zou een dergelijk gesprek meer in overeenstemming zijn met het doel en de methode van volwasseneneducatie dan een lezing. Voor volwasseneneducatie voldoet informatieoverdracht niet meer.

Wie volwassen is, heeft al een vorming ondergaan. Dan moet men niet met niets beginnen, maar dat wat er is omvormen of misschien zelfs ont-vormen.

Dan is het gesprek of de dialoog meer geschikt omdat op het juiste moment het juiste woord gezegd kan worden.

Rosenstock-Huessy heeft in de arbeidskampen die hij organiseerde in de twintiger en dertiger jaren een zeer vernieuwende gespreksmethode ingevoerd. Dat was het “Gespräch vor Zeugen”, het gesprek tussen twee deskundigen die ten overstaan van de deelnemers in discussie gingen met elkaar. Professoren die gewend waren alleen aan het woord te zijn moesten nu ineens in discussie met elkaar in tegenwoordigheid van een groter publiek. Dat was toen zo ongehoord nieuw dat het niet overdreven is om te stellen dat de arbeidskampen daaraan bezweken zijn. Een dialoog, ten behoeve van vorming, en met de bedoeling om het eigen oordeel van de deelnemers te scherpen, dat kon volgens de toenmalige opvattingen helemaal niet. Wij kunnen ons in deze tijd amper meer voorstellen hoe vernieuwend dus deze benadering van Rosenstock-Huessy was. Elke conferentie waarin een spreker het woord voert heeft heden ten dage ruimte voor discussie, hoe gebrekkig dat ook vaak verloopt.

Wakker schudden

Nu was Rosenstock-Huessy ook een zeer begenadigd spreker. Begenadigd is niet het goede woord, stormachtig zou beter zijn. Hij schudde zijn hoorders wakker en liet ze meestal overdonderd achter. Er waren er altijd die dat ontvangen en waarderen konden en zich aangesproken voelden, ook als ze het niet met alles eens waren. Er waren er ook en zeker te midden van zijn collega’s, die daar allergisch op reageren en die vragen om meer wetenschappelijke distantie en om de achterliggende feiten en onderzoek. Rosenstock-Huessy is daarom wel een “vurige geest” genoemd (zo Miskotte), maar dat is ook een manier om hem “kalt” te “stellen”. Het is niet toevallig dat Rosenstock-Huessy zijn ontdekkingen met betrekking tot de taal en geschiedenis gedaan heeft in een tijd waarin revolutie (de Russische) en oorlog (de eerste wereldoorlog) een soort van huwelijk met elkaar aangingen. Met een harde ruk werd de geschiedenis op een ander spoor gezet. De taal van Rosenstock-Huessy is een klaroenstoot. Dat moest gebeuren, maar van de weeromstuit heeft dat hem ook in zijn optreden gevormd. Latere tijden prefereren een rustiger benadering. Toen moest het zo.

Deze houding van wakker schudden en overdonderen spreekt ook in de Engelse lessen van Rosenstock-Huessy in Amerika waarvan Eckart er zoveel heeft ge-edit. In de lessenserie A voice towards the third millennium zijn ook een aantal lessen opgenomen van Rosenstock-Huessy aan een groep vrijwilligers die voor twee jaar naar India gaat in het kader van het Amerikaanse Peace Corps. Rosenstock-Huessy trekt in twijfel of het Peace Corps in zijn manier van werken deel van de oplossing is of misschien wel juist deel van het probleem.

De vraag is:

heb je begrip voor het tijdritme waarin de mensen daar leven,

of doe je je eigen ding op jouw manier?

Daartoe brengt hij zijn “wet van de techniek” in het geweer, namelijk dat de techniek de ruimte vergroot, de tijd bekort en een bestaande groep uiteen doet vallen. Op een moment vat een van de deelnemers, met de naam Coleman, dat zo op dat Rosenstock-Huessy pleit voor de techniek als universele oplossing voor de menselijke verschillen. Hij wil daarover een vraag stellen maar komt niet verder dan halverwege. Met een soort van ongeduld en op het onbeleefde af kapt Rosenstock-Huessy zijn vragen af. Maar de betrokkene geeft hem terdege repliek, zelfs als Rosenstock-Huessy hem het compliment geeft dat hij er tenminste in geslaagd is hem boos te maken – boosheid maakt scherper. Daarop geeft Coleman een nuchtere reactie, namelijk dat boosheid ook de openheid voor discussie teniet doen. Het is indrukwekkend te merken dat de bijna agressieve bejegening van de kant van Rosenstock-Huessy hem niet uit het veld slaat. Anderzijds, Coleman had waarschijnlijk ook het punt van Rosenstock-Huessy niet echt gehoord. Het had een mooie discussie kunnen worden over het voor en tegen van techniek. En over universaliteit die de techniek mogelijk zou brengen of niet. Rosenstock-Huessy brengt juist naar voren dat mogelijk ook het Peace Corps geen oog heeft voor de langzame ritmes in India. Met de technische versnelling wordt een bestaande groep uiteen gedreven. Of, sterk uitgedrukt met de woorden van Rosenstock-Huessy: door een televisie te kopen bereiden de burgers van de Verenigde Staten zonder het te willen en te weten een oorlog met India voor.

De stijl van Eckart Wilkens

Eckart, die ook deze lessen bewerkt heeft een ge-edit, noemt in zijn slotwoorden deze confrontatie adembenemend. En zo kom ik bij de manier waarop Eckart Wilkens de volwasseneneducatie heeft gedaan en willen doen. Hij heeft er bewust voor gekozen door zijn aanstelling aan de volkshogeschool in Keulen. Duitsland heeft het instituut volkshogeschool langer onderhouden en meer ontwikkeld dan Nederland.

Deze volkshogescholen waren het antwoord op de identiteitscrisis van Duitsland na de Eerste Wereldoorlog en later ook na de Tweede.

Eckart Wilkens heeft daar heel zijn carrière doorgebracht. Over zijn manier van werken daar kan een ander meer vertellen. Eigenlijk heeft de Rosenstock-Huessy Gesellschaft de rijpe vruchten geplukt van zijn 39-jarige werkzaamheid aan deze volkshogeschool. Ook de Rosenstock-Huessy Gesellschaft heeft het nodige geleden onder de heersende conferentiecultuur van elkaar opvolgende lezingen zonder tijd voor verwerking en discussie. Dat het toenmalige bestuur, waarvan de auteur dezes lid was, juist Eckart Wilkens gevraagd heeft tot het bestuur toe te treden heeft daar ook wel mee te maken. Het is moeilijk om los te komen van iets waar je tegelijkertijd ook genoeg van hebt. Want, bijvoorbeeld, een indrukwekkende sprekerslijst is ook een goed publicitair middel om de leden en de mensen daarbuiten betrokken te houden. Met Eckart Wilkens in het bestuur werd dat pad verlaten en zou het vooral om het onderling gesprek moeten gaan. Ook daarvan, hoe dat gegaan is, kan een ander meer vertellen dan ik. Veel bijeenkomsten zijn door de bestuursleden samen voorbereid, zodat van ieder bestuurslid de stem gehoord werd in een bijdrage. Dat mocht niet verhinderen dat zonder veel overdrijving de hoofdbijdrage altijd voor Eckart Wilkens was, ook als dat niet zo bedoeld was. Daar kon hij en het hele bestuur niets aan veranderen. Hij stak er gewoon met kop en schouders bovenuit. Maar waarom was dat? Dat was niet omdat hij altijd gelijk had, want zo was het ook niet. Het had maken met stijl en manier van brengen, met ritme en met… Eckart.

Eckart was niet overdonderend aanwezig, wel stevig. Hij zocht de confrontatie niet, ook als hij die niet meed. Met zijn kennis en zijn brede oriëntatie maakte hij wel altijd indruk, maar daar zat het niet alleen of primair in. Die breedheid was er overigens ruim: dichtkunst, schilderkunst, muziek, geschiedenis, enzovoort enzovoort en natuurlijk vooral Rosenstock-Huessy. Want die heeft de sporen uitgezet ook van zijn overige werken, in de muziek en de interpretatie van de schilderkunst enzovoort. Bij menige bijeenkomst liet Eckart ook een stuk muziek horen vanachter de piano. Hij liet het verschil merken tussen de gebruikelijke snelle manier van spelen en het verhalende rustiger tempo dat bij veel muziek oorspronkelijker is. Elke tijd heeft de neiging zichzelf terug te horen in een vorige tijd. Het is moeilijk om echt te luisteren naar een vorige tijd. Ook liet hij de muzikaliteit van het denken van Rosenstock-Huessy en van Rosenzweig bij een bijzondere gelegenheid uitkomen.

Het is het verschil tussen de pianist die breed uitpakt (Beethoven-achtig, Rosenstock-Huessy) en

de vioolspeler die al fiedelend via vele omwegen en lijnen op het punt uitkomt waar hij wil zijn (Rosenzweig).

De manier waarop Eckart daarover vertelde deed het je ook voelen. Die manier was zelf ook muzikaal. Er zat een ritme in, met pauzes, met accenten, stormachtige fases, voortkabbelen, alles. Daarmee was het doorleefd.

Doorleefd: dat is de reden waarom hij met kop en schouders boven de anderen uitstak. Alles wat Eckart ter sprake te brengen had en naar voren bracht had dat doorleefde karakter. Hij nodigde uit, hij dwong je haast, mee te leven en mee te voelen en zo mee te denken en mee te dichten. En omdat het doorleefd was was het hem ook altijd menens in wat hij zei. Het moet wel het gebrek aan doorleven en beleven geweest zijn dat hem afscheid heeft doen nemen van de gebruikelijke academische werkelijkheid waar ook hij toe opgeleid was. Opgeleid tot componist had hij ontdekt dat hij als componist de toegang tot de mensen niet kon vinden. De stukken die hij componeerde en waarvan hij ook op de Rosenstock-Huessy Gesellschaft bijeenkomsten heeft laten horen hadden ook dat ietwat kabbelende, niet saai, maar zoals een beek zijn weg zoekt. Zelfs zijn schilderijen hadden dat. Het is altijd een verhaal dat met aandacht verteld wordt en met aandacht opgenomen wil worden. Daarom stond Eckart ook op het mondelinge karakter van het gesprek. Natuurlijk had hij zijn verhalen in algemene zin voorbereid, maar de sfeer en de ingeving ter plekke leidden hem verder. Hij hoorde zichzelf praten en dat ontlokte weer een volgende gedachte. Het is zo gezien niet zo verwonderlijk dat hij ook in de teksten van Rosenstock-Huessy steeds het viervoudige ritme hoorde van de grammaticale methode, imperatief, conjunctief, narratief, indicatief of in literaire termen: drama, lyriek, epos en feiten. Hij heeft dus vele van deze teksten opnieuw ge-edit om dat te doen uitkomen. Zo kan de lezer het ritme meebeleven. Ook was een bijdrage van Eckart op een conferentie altijd een soort muziekuitvoering. Hij bracht Rosenstock-Huessy ten gehore.

Het is, naar ik meen, de vorm en stijl, de gestalte, de manier van bewegen die volwasseneneducatie aan de volkshogeschool in Duitsland kon krijgen. Ondanks alles heeft Eckart het daar bijna 40 jaar volgehouden. Ook de volkshogeschool kon zijn eigen verwachtingen niet waarmaken. De volkshogeschool heeft geleden aan datgene waaraan ook de Rosenstock-Huessy Gesellschaft heeft geleden, namelijk dat wat je achter wilt laten, toch nog teveel macht over je heeft: de lezingen-cultuur. Je zou die misschien moeten vervangen door het gesprek. De quakers hebben dat ook geprobeerd. Je kunt de stilte zo lang laten hangen dat iemand, door de Geest gedreven, alleen maar dat zegt wat absoluut nodig is. Dat is wat de quakers in hun erediensten deden en zo schaften ze de preek af. Maar zelfs dit werd vorm. Het spontane profetische woord dat de stilte doorbreekt wordt na een poosje tot bekend repertoire. Dan weet je toch weer wat er komt. En het gesprek, het dagelijkse gesprek die kwaliteit te geven die dit kan vervangen of een kwaliteit die zich kan meten met de kwaliteit van een echt goede preek en een echt goede voordracht, dat lijkt vooralsnog buiten bereik te blijven. Soms gebeurt het.

De arbeidsgemeenschap van de Gesellschaft

Toch moet het daar naartoe! De Gesellschaft heeft dat de laatste jaren geprobeerd, maar ook al waren de pogingen lofwaardig, alleen bij vlagen werd dat niveau bereikt. Licht spottend heb ik daar wel eens van opgemerkt dat weliswaar de externe sprekers afgeschaft waren, maar dat we er binnen de Gesellschaft een interne spreker voor terughebben, steeds dezelfde: Eckart Wilkens. Maar dat is flauw, want dat lag niet aan hem. Het gaf alleen aan hoe ver wij konden komen.

Dat “wij” van de laatste zin kan uitgebreider opgevat worden dan alleen de Rosenstock-Huessy Gesellschaft. Op een conferentie in 2008 heeft Eckart Wilkens een bijdrage geleverd aan het gesprek tussen volgelingen van Rosenzweig en volgelingen van Rosenstock-Huessy. Aan zijn bijdrage is volop te merken dat het hem gaat om de juiste toon. Het is beter te zeggen “tonen” omdat het volledige repertoire van onze grammaticale mogelijkheden in beweging gebracht moet worden, niet alleen de indicatief.

Mooi laat hij zien dat Rosenstock-Huessy en Rosenzweig alle vier toonaarden van de grammaticale methode in hun respectievelijke werken tot klinken hebben gebracht.

En dat precies in de omgekeerde volgorde, in antwoord op elkaar.

De eerste publicatie van Rosenstock-Huessy, Die Hochzeit des Kriegs und der Revolution, is vol protest tegen de heersende opvattingen en daarom als het ware staande geschreven. De Stern der Erlösung van Rosenzweig, diens eerste werk, is als het ware liggend geschreven, dat wil zeggen ontvangend. Zulke lichaamshoudingen doen er toe. Ook de lezer wordt in een bepaalde houding geplaatst, althans uitgenodigd mee te gaan in de beweging. hij Die toon heeft Eckart voor deze conferentie in zijn groet aan het begin willen zetten. Ik betwijfel of dit zo doorgewerkt heeft. Dat is aan de bundel die eruit geresulteerd is niet echt te merken (Hartwig Wiedebach, 2010. Kreuz der Wirklichkeid und Stern der Erlösung, Verlag Karl Alber – ook het verschil in toon tussen Rosenstock-Huessy en Rosenzweig wordt in een bijdrage van Eckart in deze bundel beschreven).

En ook dat is niet aan de volgelingen van Rosenzweig te wijten, althans niet speciaal en meer dan anderen, want dat is de gemoedstoestand waarin wij ons als samenleving als zodanig bevinden. Een klacht van Eckart, die hij bij herhaling uitsprak, is dat Duitsland na de oorlog zijn taal heeft verloren. Dat klinkt dramatisch en op het eerste gezicht kan iemand achter zijn oren krabben en denken: wat bedoelt Eckart nu weer? Ongetwijfeld bedoelt hij dat voor een oorspronkelijk spreken een kunsttaal in de plaats gekomen is, een verkorting van de taal, met te weinig diepgang en betekenis. Dat is de taal als handelsartikel, oppervlakkige woorden die gemakkelijk uitgewisseld kunnen worden. Nederlanders en Engelsen en Amerikanen kunnen veel gemakkelijker zo te werk gaan, want zijn meer naar buiten gericht. Ook de woorden krijgen hun betekenis door geven en nemen, en zo komen we tot “speaking terms”. Het Duits is formeler en er moet altijd iets gezegd worden dat er toe doet. Daar is de tijd niet altijd rijp voor. Maar dat vermogen is dus verloren gegaan, zo meent Eckart. Als kind van de Tweede Wereldoorlog, in 1943 geboren, heeft hij recht van spreken. Dat laatste werd mij nog meer bewust toen bij de begrafenis van Eckart Wilkens verteld werd hoe zeer zijn vader, die predikant was, zijn gezin iets heeft mee willen geven in muziek, in het lezen van de Bijbel en in onderlinge verbondenheid. Hier werd de taal van het innerlijk gesproken te midden van een wereld die in puin lag. Is het Duits niet de taal van het innerlijk, meer dan het Nederlands of het Engels? Hoe kan die taal worden teruggevonden?

Maar in het oordeel van Eckart dat Duitsland de taal verloren gegaan is wordt niet alleen een gemis gearticuleerd, maar ook een belofte. De terugverovering van de taal staat nu op de agenda, maar die terugverovering is niet louter een terugkeer en een herstel van het verleden. Onder het mom van herstel gaat het om het veroveren van iets dat er in het geheel nog niet was, niet in Duitsland maar ook niet elders: dat het woord, gemoduleerd in imperatief, conjunctief, narratief en indicatief, oftewel drama, lyriek, epos, analyse, zo krachtig gesproken wordt en zo bij de gesprekspartners binnendringt, dat in woord en tegenspraak door het levende gesprek de weg voorwaarts wordt gevonden. Dat kunnen we nog niet (goed). Dat moet nog komen. Soms gebeurt het natuurlijk toch wel en Rosenstock-Huessy heeft daarvoor steeds de term arbeidsgemeenschap gebruikt. Het grote voorbeeld is het naoorlogse (na de Eerste Wereldoorlog maar na de Tweede Wereldoorlog opnieuw) overleg tussen vakbonden en werkgevers over de inrichting van de economie. Volstrekt tegenstrijdige standpunten moeten zo lang tegen elkaar aanschuren dat een weg voorwaarts gevonden wordt, want geen partij kan het zich in rampzalige omstandigheden veroorloven zonder medewerking van de ander het eigen gelijk door te zetten. Op dat moment worden dingen vloeibaar. Men kan het zich niet permitteren onverschillig tegenover de ander te staan en daar is een goed woord voor: liefde tot de vijand. Daar wordt echt gesproken! Maar dat is dus bij uitzondering.

Wat eerst bij uitzondering geschiedt kan later stapsgewijze gewoon worden. En de imperatief om aan de taal een dergelijke kwaliteit toe te kennen, oftewel ons in die mate over te geven aan de taal dat zoiets gebeurt, wordt allerwegen gevoeld. Macht en geweld kunnen de grote vraagstukken niet oplossen. De taal en het gesprek zal het moeten doen.

In elk gesprek oefenen wij weliswaar geweld op elkaar uit, omdat het er niet enkel om gaat elkaar informatie te geven en vriendelijk te blijven, maar vooral iets aan en met elkaar te doen,

zoals Rosenstock-Huessy meermalen zegt. Wij roepen elkaar op de werkelijkheid vanuit een ander standpunt waar te nemen.

Ook voor Rosenstock-Huessy zelf was dat ongewoon. Dat de taal deze kwaliteit kon hebben was een ontdekking! Hoezeer hij ook de ontdekker is van de veranderende kracht van de taal, in hem en in zijn optreden steekt ook een combinatie van de Duitse professor en de Pruisische veldheer. En toch kan hij aan het einde van het boek waarin hij amper interrupties toestaat de mogelijkheid vermelden dat hij eigenlijk ook wel vanuit de vragen van de deelnemers aan het gesprek had kunnen starten. Hoe paradoxaal? Of met andere woorden: hoe zeer was hij toch ook het product van een vorig tijdperk ondanks zijn ontdekkingen? Maar dan, waar zijn die deelnemers? Als mensen zich opstellen als publiek en interessant doen, kan men dat geen deelname noemen. Dus, dan is het beste toch maar weer naar de professor te luisteren. Het is een leerproces voor ons allen.

Met dank aan Eckart

Eckart Wilkens is een stap in dat leerproces: er mag niets gezegd worden dat niet doorleefd is! Die boodschap is de nalatenschap van Eckart Wilkens. Daarin heeft de Gesellschaft zich de laatste jaren geoefend. In dat proces is de Gesellschaft overigens zelf ook weer weerspiegeling van de maatschappij. Wat men ook moge denken van de receptie van Rosenstock-Huessy, allerwegen oefent de maatschappij zich reeds in deze kwaliteit van spreken. Het kan niet anders!

We zouden geweld willen uitoefenen om de ander de neus recht te zetten, maar juist dan maken we alles kapot.

We moeten door praten “eruit komen”,

dat wil zeggen een uitweg vinden uit de druk, een deur die open gaat. Hoe lang de Rosenstock-Huessy Gesellschaft daarvan zelf nog de drager kan zijn is misschien niet eens zo belangrijk. De grammaticale methode die Rosenstock-Huessy voorgesteld heeft als articulatie van deze macht van de taal is weliswaar niet met open armen en met veel navolging ontvangen, maar de noodzaak ervan wordt wel allerwegen gevoeld. Iedereen is ermee bezig. Laat dan slechts een klein groepje bezig geweest zijn met het traderen van deze stem, anderen waren al bezig en misschien meer dan mensen binnen de Rosenstock-Huessy Gesellschaft dachten, met dit inoefenen van waarachtige en omvormende taal. Op een bepaald moment gaan die lijnen elkaar wel vinden. In dat vertrouwen gaan we verder in het spoor waarin wij Rosenstock-Huessy in de rug hebben. Dat geeft moed. En nu ook Eckart Wilkens.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *