Categorieën
Actueel

Identiteit, zeggenschap en zeggingskracht 1

Deel 1: Strijd over identiteit

Zo’n 40 jaar geleden was het ongebruikelijk om trots te uiten over de identiteit als Nederlander. Nationaliteit, wat betekende dat nog? Wij moesten groter denken en verder kijken. Een Nederlands paspoort? – dat was alleen handig. Hoe heeft het debat over identiteit, nationaliteit, racisme en uitsluiting zo’n vlucht kunnen nemen? Voor een deel is het een reactie op het neoliberalisme en voor een deel en reactie van verschillende groepen op elkaar. Op het neoliberalisme kom ik nog, maar eerst het laatste: Als Nederlanders zich laten voorstaan op hun nationale identiteit, in ultrarechtse politieke partijen, dan is dat juist voor anderen aanleiding om op de schaduwkanten van dat Nederlanderschap te wijzen. De dag dat ik dit schrijf is Keti Koti, de herdenking van het slavernijverleden. Pas heeft de Vlaamse schrijver David van Reybrouck een dik boek gepubliceerd over het koloniale verleden van Nederland in Indonesië, onder de titel Revolusi. Eerder heeft hij een boek over Belgisch Congo geschreven. Je staat versteld van het geweld waarvan de Nederlandse koloniale geschiedenis vol is. Als jij denkt dat je dan trots kunt zijn op de Nederlandse identiteit, weten anderen je wel op je nummer te zetten.

Maar het debat over identiteit is ook deel van een grotere beweging: de boeren vragen om erkenning en de klimaatactivisten, de bankiers en het schoolpersoneel en de mensen die voor of tegen zwarte Piet zijn – ze hebben een boodschap te brengen, maar ze hebben ook behoefte aan erkenning. Zij willen delen in een gemeenschappelijk besef, een wij-gevoel. Daar kun je je aan optrekken.

Identiteit houdt in dat je je vereenzelvigt met een collectief, een groep. Wij hebben veel overlappende identiteiten. Dat is de boodschap van Sinan Çankaya in zijn boek Mijn Ontelbare Identiteiten. Hij is voluit Nederlander, en met een Marokkaanse achtergrond. Bart Brandsma, in zijn boek Polarisatie, wijst op het wij-zij denken en de polarisatie en vijandigheid die er het gevolg van zijn. In lijn daarmee kan er nog een Duitse auteur genoemd worden, Hamed Abdel-Samad, die in zijn boek Schlacht der Identitäten ongeveer dezelfde boodschap heeft als Brandsma. Wij moeten leren ons in elkaar te verplaatsen. Hoe heeft het gevoel van identiteit zo belangrijk kunnen worden? Een belangrijke reden is de ontworteling die het neo-liberalisme teweeg gebracht heeft. Wij zijn nummers geworden in reusachtige organisaties. De zeggenschap die mensen hebben over het werk dat ze doen en ook de zeggenschap in het maatschappelijk verkeer is daardoor verminderd. Als gevolg daarvan is ook onze zeggingskracht achteruit gehold. Wat is zeggingskracht? Het is het vermogen om een eigen oordeel onder woorden te brengen in een gezonde wisselwerking met het evenzeer onafhankelijke oordeel van anderen. In een volwassen dialoog corrigeer je elkaar en vul je elkaar aan. Maar wij zijn geestelijk verzwakt. We hebben er meer dan vroeger behoefte aan ergens bij te horen en met een groep mensen aan de goede kant te staan. Dat is een gevolg van onze ontworteling, het functioneren als een radertje in de machine.

Categorieën
Actueel

Identiteit, zeggenschap en zeggingskracht 2

Deel 2: De grammaticale mens van Rosenstock-Huessy

In de vorige bijdrage heb ik het verlangen naar identiteit in verband gebracht met de behoefte aan saamhorigheid, aan de steun van een groep, een wij. Maar dat is zogezegd maar een aggregatietoestand, een manier van zijn. Wij hebben niet alleen een identiteit, maar we hebben ook onze individualiteit en die valt niet samen met onze identiteit. Wie jij bent, is niet voorgegeven, maar altijd weer een verrassing. Daarvoor vraagt Rosenstock-Huessy aandacht in zijn zogenaamde grammaticale methode. Daarin vraagt hij aandacht voor de verschillende aggregatietoestanden waarin respectievelijk het wij-gevoel, ik-uitspraken, aangesproken worden als jij, en machinaal functioneren als een “het” ons brengen. Daarom volgt hier een overzicht van de aggregatietoestanden van de grammaticale mens in de visie van Rosenstock-Huessy.

De grammaticale methode van Rosenstock-Huessy is niet in het luchtledige ontworpen. Hij heeft zijn ervaringen in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog verwoord. Hij is eigenlijk ook niet op zoek naar een methode, maar naar de grammaticale mens. Een nieuw type mens is nodig. Na de Eerste Wereldoorlog geloofde de gewone man niet meer in het nationale verhaal, niet elders, maar zeker niet in Duitsland. Het was een ontwortelde samenleving. Dat was het eigenlijk al voor de eerste wereldoorlog als gevolg van de grootschalige industrialisering. Ook toen had men dus behoefte aan een wij-gevoel. Het socialisme en communisme vulden dat gat. Het expliciete doel van die bewegingen is wel verbetering van materiële omstandigheden, maar ze waren vooral aantrekkelijk omdat zij ontwortelde arbeiders een gemeenschappelijke identiteit beloofden: een wij-gevoel.

Rosenstock-Huessy brengt dat onder meer naar voren in het boekje Multiformity of man: onder druk van teveel instrumentalisering zoeken mensen steun bij de groep, zo betoogt hij daar. Met instrumentalisering is bedoeld dat je werk teveel herhaalbaar en te machinaal wordt. De “ik” die jij bent speelt geen rol. Je bent vervangbaar. De formule die Rosenstock-Huessy voor deze aggregatietoestand gebruikt is 3=1. Die formule is afgeleid van het feit dat 3 personen nodig zijn om in een 24 uur economie dezelfde functie in te vullen. Het getal 3 is daarbij alleen maar een minimum, het gaat om het staan in rij en gelid, als een “het”. De reactie daarop die het meest voor de hand ligt is het zoeken naar een gemeenschappelijke identiteit. Die wordt daardoor vaak uitvergroot en neemt mythische vormen aan. De formule die Rosenstock-Huessy daarvoor gebruikt is ∞=1, een onbepaald aantal deelnemers is samen één. Dat is een formule voor het wij-gevoel. Dat zovelen later gemakkelijk van het socialisme overgingen naar fascisme en nationaal socialisme wordt zo ook begrijpelijker. Dat waren eenvoudig andere versies van “Samen staan we sterk”.

Als Rosenstock-Huessy stelt dat in de 20e eeuw de stam weer opleeft, dan bedoelt hij dit verschijnsel, dat wij ons een collectieve identiteit aanmeten en daar onze moed om te zijn aan ontlenen. Alleen staan moet voorkomen worden. De kracht en de moed daartoe ontbreekt.

Soms moet je dingen zeggen die geen steun vinden bij andere teamleden. Dat doet bijvoorbeeld de whistleblower die iets aan de orde stelt, maar zijn baan verliest. Daarvoor moet je sterk in je schoenen staan. Je wordt op jezelf teruggeworpen. Rosenstock-Huessy stelt daarvoor de formule voor van 1=1. Tenslotte is er nog een vierde aggregatietoestand, namelijk dat je niet in die eenzaamheid blijft steken maar in dialoog gaat. Dan staat de vernieuwer niet eenvoudig buitenspel, maar de deelnemers in de dialoog proberen een brug te slaan tussen traditie en verandering. Daarvoor is de formule 2=1 op van toepassing.

Die laatste twee aggregatietoestanden van de mens zijn nodig voor een volwassen houding van onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid. De grote vraag is nu en toen: hoe kom je aan zulke mensen? Want zulke mensen en alleen zulke mensen vormen de ruggengraat van de maatschappij.

Categorieën
Actueel

Identiteit, zeggenschap en zeggingskracht 3

Deel 3: Voorbij het collectivisme

Deel uitmaken van een groep en je identificeren met de denkbeelden van die groep is maar een van de vier grammaticale aggregatietoestanden van de mens: wij-zeggen. We moeten verder gaan dan dat. Maar waarom hebben we dit wij-gevoel zo nodig? Dat komt door de organisatie van de arbeid. Grote hiërarchische bedrijven schrijven ons voor wat we moeten doen, denken en voelen. We worden te veel aangestuurd en laten ons teveel aansturen. We leven te veel in de aggregatietoestand van een het. In onze vrije tijd zoeken we compensatie voor een verschrompeld bestaan op het werk. Op het werk doen we ons kleine ding. Wij groeien niet aan ons werk en komen daardoor niet toe aan die aggregatietoestanden die ons meer persoon en meer verantwoordelijk maken: ergens voor staan en de dialoog kunnen aangaan. We leven en werken in reusachtige apparaten, maar gedragen ons als geestelijke dwergen. Onmachtig en bang leven we ons in de vrije tijd uit aan de meest eenzijdige en extravagante identiteiten. Dat gaat van hobby’s, tot influenzers volgen en schoonheidsidealen, tot trots op de Nederlandse identiteit, tot racisme, tot complotdenken. Elke mythe is goed. Een mythe is een verhaal en zwakke mensen zoeken een wij-verhaal om niet op hun persoonlijke verantwoordelijkheid aangesproken te worden, maar zich achter iets te verschuilen. Zoals Sinan Çankaya zegt: wij hebben ontelbare identiteiten. Maar we hebben die in fragmenten. Met allerlei winden en tendenzen waaien en bewegen wij mee.  Zolang we op dat niveau blijven zeggen we eigenlijk: mijn naam is haas!

Achter een groepsidentiteit kun je je verschuilen. Het is zaak door te groeien naar een persoonlijke stellingname en het vermogen elkaar aan te spreken. Niet onze vrije tijd maar ons werk geeft vorm aan de maatschappij van de toekomst. Als wij in het werk en in de maatschappelijke werkelijkheid onze zeggenschap kwijt geraakt zijn, moeten we dan niet in de eerste plaats daar wat aan doen? Want als wij geen zeggenschap uitoefenen, gaat ook onze zeggingskracht verloren. Wij hebben dan na een poosje ook niets meer te zeggen en we kunnen het dan ook niet meer.

Onze identiteit is alleen maar onze achtergrond. Daarom is een pleidooi voor tolerantie en begrip nog teveel symptoombestrijding.  Willen we echt de strijd der identiteiten overwinnen dan moeten we verantwoordelijkheid en visie weer terugbrengen op de werkvloer en de werkplaats, het klaslokaal en het ziekenhuis. Professionaliteit is nodig. En minder aansturing. We hebben mensen nodig die wat te zeggen hebben en mee kunnen praten. Daar kunnen bovendien veel overbodige managementkosten mee voorkomen worden. Zulke verantwoordelijkheid en professionaliteit moet op zijn beurt niet vrijblijvend zijn maar ook risico’s meebrengen. Men moet wel verantwoording afleggen en afgerekend kunnen worden op resultaten. Weliswaar zal niet iedereen dat aankunnen. Maar naar de mate dat mensen die verantwoordelijkheid aankunnen moeten zij ook die gelegenheid hebben. Daarmee wordt een andere toon gezet en een andere norm geïntroduceerd. Dat hebben we nodig.  Dan ontvalt vanzelf alle steun aan diegenen die op hun werk zich niet durven uitspreken en dat in hun vrije tijd compenseren en zich uitleveren aan de mythen die in hun groep gangbaar zijn. Het is jammer dat de genoemde auteurs daar weinig oog voor hebben.

Categorieën
Actueel

Respondeo-podcasts: Een mozaiek

Podcasts hieronder laten de echo van het werk van Rosenstock-Huessy in de levensverhalen van de leden van Respondeo zien. De podcasts zijn gemaakt door Kurt Kooiman en Freek Schröder. https://podcasthuis.com

Respondeo is de naam van de vereniging die het werk van Rosenstock-Huessy onder de aandacht wil brengen. Respondeo – dat is dan wel een toepasselijke naam. Want centraal in het werk van Rosenstock-Huessy staat de taal. Nu is taalfilosofie tegenwoordig redelijk populair. Maar meestal gaat het dan om de betekenis en logische structuur of anders gaat het om het discours. Rosenstock-Huessy ging het er om wat levende taal met mensen doet. Een levend woord is een woord dat je raakt. Dat woorden binnenkomen en ons veranderen en de baan van het leven verleggen – dat is wat de taal levend maakt. Daarover is op deze website het nodige te vinden.

Maar de leden van Respondeo hebben ook zelf die levende betrokkenheid. Voor de meeste leden zijn woorden van Rosenstock-Huessy geen bijkomstigheid geweest, waar je kennis van kunt nemen en naar kunt kijken. Vaak is het zo dat zegswijzen en opmerkingen van Rosenstock-Huessy je iets doen en raken nog voordat je de betekenis goed begrepen hebt.

Hoe kan ik dit uitleggen ?

Leden van Respondeo over de betekenis van Rosenstock-Huessy: verschillende leden van Respondeo leggen in hun woorden en met hun verhaal uit waar het volgens hen om gaat bij Rosenstock-Huessy.

Over Eugen Rosenstock-Huessy

Lise van der Molen over Eugen Rosenstock-Huessy en zijn levensverhaal. Lise van der Molen is werkzaam geweest als predikant en heeft de bibliografie van Rosenstock-Huessy op zijn naam staan. Deze bibliografie ligt ten grondslag aan het verzamelde werk, dat in de vorm van boeken en artikelen te vinden is op de Amerikaanse website van het Rosenstock-Huessy Fund.

Korte en langere tijdbogen

Otto Kroesen over de visie van Rosenstock-Huessy op de verschillende tijdsspannen die de menselijke biografie gestalte geven, korte en langere tijdbogen. Otto Kroesen is als studentenpastor en universitair docent filosofie werkzaam geweest aan de Technische Universiteit Delft en werkt nu bij het Centrum voor Entrepreneurship op het gebied van entrepreneurship voor ontwikkelingslanden.

Betrokkenheid

Wim van der Schee over de betrokkenheid die in het werk van een psycholoog doorslaggevend is, en ook doorslaggevend in het werk van Rosenstock-Huessy. Wim van der Schee is als orthopedagoog en psycholoog werkzaam geweest in de jeugdzorg, het onderwijs, de psychiatrie en forensische psychiatrie en de gehandicaptenzorg.

Categorieën
Actueel

Volwasseneneducatie van Eckart Wilkens

Het gesprek als vormend en ont-vormend

In de zomer van 1958 heeft Rosenstock-Huessy een aantal colleges gegeven in Munster, in Duitsland, telkens 2 uur achter elkaar, vanaf 6 mei tot 16 juli. Rudolf Hermeier en Jochem Lübbers hebben de mondelinge tekst bewerkt en uitgegeven, in 2002, onder de titel Die Gesetze der Christlichen Zeitrechnung (Agenda Verlag). Soms wordt er uit de zaal een vraag gesteld, en ook dat is opgetekend. Het gebeurt niet zo vaak. Meestal lijkt Rosenstock-Huessy het hinderlijk te vinden. Het haalt hem uit zijn verhaal. Hij wil ergens naartoe. En, dat moet erbij gezegd worden, zo’n vraag is ook niet altijd van voldoende kwaliteit. Toch merkt Rosenstock-Huessy aan het eind van de lessenserie op dat hij ook wel heel anders te werk had kunnen gaan. De hoorder moet immers op het juiste moment het juiste woord horen om het te kunnen vernemen en op te nemen. In een college gaat zoveel aan je voorbij. Dus, zo zegt hij, had hij ook kunnen aansluiten bij de vragen die er leven bij de deelnemers. Dan had hij ook zijn verhaal zo kunnen opbouwen. Aan de welwillende lezer die opgemerkt heeft hoe doorheen deze lessen vragen van deelnemers behandeld werden, ontlokt dat een lichte glimlach.

Toch zou een dergelijk gesprek meer in overeenstemming zijn met het doel en de methode van volwasseneneducatie dan een lezing. Voor volwasseneneducatie voldoet informatieoverdracht niet meer.

Wie volwassen is, heeft al een vorming ondergaan. Dan moet men niet met niets beginnen, maar dat wat er is omvormen of misschien zelfs ont-vormen.

Dan is het gesprek of de dialoog meer geschikt omdat op het juiste moment het juiste woord gezegd kan worden.

Rosenstock-Huessy heeft in de arbeidskampen die hij organiseerde in de twintiger en dertiger jaren een zeer vernieuwende gespreksmethode ingevoerd. Dat was het “Gespräch vor Zeugen”, het gesprek tussen twee deskundigen die ten overstaan van de deelnemers in discussie gingen met elkaar. Professoren die gewend waren alleen aan het woord te zijn moesten nu ineens in discussie met elkaar in tegenwoordigheid van een groter publiek. Dat was toen zo ongehoord nieuw dat het niet overdreven is om te stellen dat de arbeidskampen daaraan bezweken zijn. Een dialoog, ten behoeve van vorming, en met de bedoeling om het eigen oordeel van de deelnemers te scherpen, dat kon volgens de toenmalige opvattingen helemaal niet. Wij kunnen ons in deze tijd amper meer voorstellen hoe vernieuwend dus deze benadering van Rosenstock-Huessy was. Elke conferentie waarin een spreker het woord voert heeft heden ten dage ruimte voor discussie, hoe gebrekkig dat ook vaak verloopt.

Wakker schudden

Nu was Rosenstock-Huessy ook een zeer begenadigd spreker. Begenadigd is niet het goede woord, stormachtig zou beter zijn. Hij schudde zijn hoorders wakker en liet ze meestal overdonderd achter. Er waren er altijd die dat ontvangen en waarderen konden en zich aangesproken voelden, ook als ze het niet met alles eens waren. Er waren er ook en zeker te midden van zijn collega’s, die daar allergisch op reageren en die vragen om meer wetenschappelijke distantie en om de achterliggende feiten en onderzoek. Rosenstock-Huessy is daarom wel een “vurige geest” genoemd (zo Miskotte), maar dat is ook een manier om hem “kalt” te “stellen”. Het is niet toevallig dat Rosenstock-Huessy zijn ontdekkingen met betrekking tot de taal en geschiedenis gedaan heeft in een tijd waarin revolutie (de Russische) en oorlog (de eerste wereldoorlog) een soort van huwelijk met elkaar aangingen. Met een harde ruk werd de geschiedenis op een ander spoor gezet. De taal van Rosenstock-Huessy is een klaroenstoot. Dat moest gebeuren, maar van de weeromstuit heeft dat hem ook in zijn optreden gevormd. Latere tijden prefereren een rustiger benadering. Toen moest het zo.

Deze houding van wakker schudden en overdonderen spreekt ook in de Engelse lessen van Rosenstock-Huessy in Amerika waarvan Eckart er zoveel heeft ge-edit. In de lessenserie A voice towards the third millennium zijn ook een aantal lessen opgenomen van Rosenstock-Huessy aan een groep vrijwilligers die voor twee jaar naar India gaat in het kader van het Amerikaanse Peace Corps. Rosenstock-Huessy trekt in twijfel of het Peace Corps in zijn manier van werken deel van de oplossing is of misschien wel juist deel van het probleem.

De vraag is:

heb je begrip voor het tijdritme waarin de mensen daar leven,

of doe je je eigen ding op jouw manier?

Daartoe brengt hij zijn “wet van de techniek” in het geweer, namelijk dat de techniek de ruimte vergroot, de tijd bekort en een bestaande groep uiteen doet vallen. Op een moment vat een van de deelnemers, met de naam Coleman, dat zo op dat Rosenstock-Huessy pleit voor de techniek als universele oplossing voor de menselijke verschillen. Hij wil daarover een vraag stellen maar komt niet verder dan halverwege. Met een soort van ongeduld en op het onbeleefde af kapt Rosenstock-Huessy zijn vragen af. Maar de betrokkene geeft hem terdege repliek, zelfs als Rosenstock-Huessy hem het compliment geeft dat hij er tenminste in geslaagd is hem boos te maken – boosheid maakt scherper. Daarop geeft Coleman een nuchtere reactie, namelijk dat boosheid ook de openheid voor discussie teniet doen. Het is indrukwekkend te merken dat de bijna agressieve bejegening van de kant van Rosenstock-Huessy hem niet uit het veld slaat. Anderzijds, Coleman had waarschijnlijk ook het punt van Rosenstock-Huessy niet echt gehoord. Het had een mooie discussie kunnen worden over het voor en tegen van techniek. En over universaliteit die de techniek mogelijk zou brengen of niet. Rosenstock-Huessy brengt juist naar voren dat mogelijk ook het Peace Corps geen oog heeft voor de langzame ritmes in India. Met de technische versnelling wordt een bestaande groep uiteen gedreven. Of, sterk uitgedrukt met de woorden van Rosenstock-Huessy: door een televisie te kopen bereiden de burgers van de Verenigde Staten zonder het te willen en te weten een oorlog met India voor.

De stijl van Eckart Wilkens

Eckart, die ook deze lessen bewerkt heeft een ge-edit, noemt in zijn slotwoorden deze confrontatie adembenemend. En zo kom ik bij de manier waarop Eckart Wilkens de volwasseneneducatie heeft gedaan en willen doen. Hij heeft er bewust voor gekozen door zijn aanstelling aan de volkshogeschool in Keulen. Duitsland heeft het instituut volkshogeschool langer onderhouden en meer ontwikkeld dan Nederland.

Deze volkshogescholen waren het antwoord op de identiteitscrisis van Duitsland na de Eerste Wereldoorlog en later ook na de Tweede.

Eckart Wilkens heeft daar heel zijn carrière doorgebracht. Over zijn manier van werken daar kan een ander meer vertellen. Eigenlijk heeft de Rosenstock-Huessy Gesellschaft de rijpe vruchten geplukt van zijn 39-jarige werkzaamheid aan deze volkshogeschool. Ook de Rosenstock-Huessy Gesellschaft heeft het nodige geleden onder de heersende conferentiecultuur van elkaar opvolgende lezingen zonder tijd voor verwerking en discussie. Dat het toenmalige bestuur, waarvan de auteur dezes lid was, juist Eckart Wilkens gevraagd heeft tot het bestuur toe te treden heeft daar ook wel mee te maken. Het is moeilijk om los te komen van iets waar je tegelijkertijd ook genoeg van hebt. Want, bijvoorbeeld, een indrukwekkende sprekerslijst is ook een goed publicitair middel om de leden en de mensen daarbuiten betrokken te houden. Met Eckart Wilkens in het bestuur werd dat pad verlaten en zou het vooral om het onderling gesprek moeten gaan. Ook daarvan, hoe dat gegaan is, kan een ander meer vertellen dan ik. Veel bijeenkomsten zijn door de bestuursleden samen voorbereid, zodat van ieder bestuurslid de stem gehoord werd in een bijdrage. Dat mocht niet verhinderen dat zonder veel overdrijving de hoofdbijdrage altijd voor Eckart Wilkens was, ook als dat niet zo bedoeld was. Daar kon hij en het hele bestuur niets aan veranderen. Hij stak er gewoon met kop en schouders bovenuit. Maar waarom was dat? Dat was niet omdat hij altijd gelijk had, want zo was het ook niet. Het had maken met stijl en manier van brengen, met ritme en met… Eckart.

Eckart was niet overdonderend aanwezig, wel stevig. Hij zocht de confrontatie niet, ook als hij die niet meed. Met zijn kennis en zijn brede oriëntatie maakte hij wel altijd indruk, maar daar zat het niet alleen of primair in. Die breedheid was er overigens ruim: dichtkunst, schilderkunst, muziek, geschiedenis, enzovoort enzovoort en natuurlijk vooral Rosenstock-Huessy. Want die heeft de sporen uitgezet ook van zijn overige werken, in de muziek en de interpretatie van de schilderkunst enzovoort. Bij menige bijeenkomst liet Eckart ook een stuk muziek horen vanachter de piano. Hij liet het verschil merken tussen de gebruikelijke snelle manier van spelen en het verhalende rustiger tempo dat bij veel muziek oorspronkelijker is. Elke tijd heeft de neiging zichzelf terug te horen in een vorige tijd. Het is moeilijk om echt te luisteren naar een vorige tijd. Ook liet hij de muzikaliteit van het denken van Rosenstock-Huessy en van Rosenzweig bij een bijzondere gelegenheid uitkomen.

Het is het verschil tussen de pianist die breed uitpakt (Beethoven-achtig, Rosenstock-Huessy) en

de vioolspeler die al fiedelend via vele omwegen en lijnen op het punt uitkomt waar hij wil zijn (Rosenzweig).

De manier waarop Eckart daarover vertelde deed het je ook voelen. Die manier was zelf ook muzikaal. Er zat een ritme in, met pauzes, met accenten, stormachtige fases, voortkabbelen, alles. Daarmee was het doorleefd.

Doorleefd: dat is de reden waarom hij met kop en schouders boven de anderen uitstak. Alles wat Eckart ter sprake te brengen had en naar voren bracht had dat doorleefde karakter. Hij nodigde uit, hij dwong je haast, mee te leven en mee te voelen en zo mee te denken en mee te dichten. En omdat het doorleefd was was het hem ook altijd menens in wat hij zei. Het moet wel het gebrek aan doorleven en beleven geweest zijn dat hem afscheid heeft doen nemen van de gebruikelijke academische werkelijkheid waar ook hij toe opgeleid was. Opgeleid tot componist had hij ontdekt dat hij als componist de toegang tot de mensen niet kon vinden. De stukken die hij componeerde en waarvan hij ook op de Rosenstock-Huessy Gesellschaft bijeenkomsten heeft laten horen hadden ook dat ietwat kabbelende, niet saai, maar zoals een beek zijn weg zoekt. Zelfs zijn schilderijen hadden dat. Het is altijd een verhaal dat met aandacht verteld wordt en met aandacht opgenomen wil worden. Daarom stond Eckart ook op het mondelinge karakter van het gesprek. Natuurlijk had hij zijn verhalen in algemene zin voorbereid, maar de sfeer en de ingeving ter plekke leidden hem verder. Hij hoorde zichzelf praten en dat ontlokte weer een volgende gedachte. Het is zo gezien niet zo verwonderlijk dat hij ook in de teksten van Rosenstock-Huessy steeds het viervoudige ritme hoorde van de grammaticale methode, imperatief, conjunctief, narratief, indicatief of in literaire termen: drama, lyriek, epos en feiten. Hij heeft dus vele van deze teksten opnieuw ge-edit om dat te doen uitkomen. Zo kan de lezer het ritme meebeleven. Ook was een bijdrage van Eckart op een conferentie altijd een soort muziekuitvoering. Hij bracht Rosenstock-Huessy ten gehore.

Het is, naar ik meen, de vorm en stijl, de gestalte, de manier van bewegen die volwasseneneducatie aan de volkshogeschool in Duitsland kon krijgen. Ondanks alles heeft Eckart het daar bijna 40 jaar volgehouden. Ook de volkshogeschool kon zijn eigen verwachtingen niet waarmaken. De volkshogeschool heeft geleden aan datgene waaraan ook de Rosenstock-Huessy Gesellschaft heeft geleden, namelijk dat wat je achter wilt laten, toch nog teveel macht over je heeft: de lezingen-cultuur. Je zou die misschien moeten vervangen door het gesprek. De quakers hebben dat ook geprobeerd. Je kunt de stilte zo lang laten hangen dat iemand, door de Geest gedreven, alleen maar dat zegt wat absoluut nodig is. Dat is wat de quakers in hun erediensten deden en zo schaften ze de preek af. Maar zelfs dit werd vorm. Het spontane profetische woord dat de stilte doorbreekt wordt na een poosje tot bekend repertoire. Dan weet je toch weer wat er komt. En het gesprek, het dagelijkse gesprek die kwaliteit te geven die dit kan vervangen of een kwaliteit die zich kan meten met de kwaliteit van een echt goede preek en een echt goede voordracht, dat lijkt vooralsnog buiten bereik te blijven. Soms gebeurt het.

De arbeidsgemeenschap van de Gesellschaft

Toch moet het daar naartoe! De Gesellschaft heeft dat de laatste jaren geprobeerd, maar ook al waren de pogingen lofwaardig, alleen bij vlagen werd dat niveau bereikt. Licht spottend heb ik daar wel eens van opgemerkt dat weliswaar de externe sprekers afgeschaft waren, maar dat we er binnen de Gesellschaft een interne spreker voor terughebben, steeds dezelfde: Eckart Wilkens. Maar dat is flauw, want dat lag niet aan hem. Het gaf alleen aan hoe ver wij konden komen.

Dat “wij” van de laatste zin kan uitgebreider opgevat worden dan alleen de Rosenstock-Huessy Gesellschaft. Op een conferentie in 2008 heeft Eckart Wilkens een bijdrage geleverd aan het gesprek tussen volgelingen van Rosenzweig en volgelingen van Rosenstock-Huessy. Aan zijn bijdrage is volop te merken dat het hem gaat om de juiste toon. Het is beter te zeggen “tonen” omdat het volledige repertoire van onze grammaticale mogelijkheden in beweging gebracht moet worden, niet alleen de indicatief.

Mooi laat hij zien dat Rosenstock-Huessy en Rosenzweig alle vier toonaarden van de grammaticale methode in hun respectievelijke werken tot klinken hebben gebracht.

En dat precies in de omgekeerde volgorde, in antwoord op elkaar.

De eerste publicatie van Rosenstock-Huessy, Die Hochzeit des Kriegs und der Revolution, is vol protest tegen de heersende opvattingen en daarom als het ware staande geschreven. De Stern der Erlösung van Rosenzweig, diens eerste werk, is als het ware liggend geschreven, dat wil zeggen ontvangend. Zulke lichaamshoudingen doen er toe. Ook de lezer wordt in een bepaalde houding geplaatst, althans uitgenodigd mee te gaan in de beweging. hij Die toon heeft Eckart voor deze conferentie in zijn groet aan het begin willen zetten. Ik betwijfel of dit zo doorgewerkt heeft. Dat is aan de bundel die eruit geresulteerd is niet echt te merken (Hartwig Wiedebach, 2010. Kreuz der Wirklichkeid und Stern der Erlösung, Verlag Karl Alber – ook het verschil in toon tussen Rosenstock-Huessy en Rosenzweig wordt in een bijdrage van Eckart in deze bundel beschreven).

En ook dat is niet aan de volgelingen van Rosenzweig te wijten, althans niet speciaal en meer dan anderen, want dat is de gemoedstoestand waarin wij ons als samenleving als zodanig bevinden. Een klacht van Eckart, die hij bij herhaling uitsprak, is dat Duitsland na de oorlog zijn taal heeft verloren. Dat klinkt dramatisch en op het eerste gezicht kan iemand achter zijn oren krabben en denken: wat bedoelt Eckart nu weer? Ongetwijfeld bedoelt hij dat voor een oorspronkelijk spreken een kunsttaal in de plaats gekomen is, een verkorting van de taal, met te weinig diepgang en betekenis. Dat is de taal als handelsartikel, oppervlakkige woorden die gemakkelijk uitgewisseld kunnen worden. Nederlanders en Engelsen en Amerikanen kunnen veel gemakkelijker zo te werk gaan, want zijn meer naar buiten gericht. Ook de woorden krijgen hun betekenis door geven en nemen, en zo komen we tot “speaking terms”. Het Duits is formeler en er moet altijd iets gezegd worden dat er toe doet. Daar is de tijd niet altijd rijp voor. Maar dat vermogen is dus verloren gegaan, zo meent Eckart. Als kind van de Tweede Wereldoorlog, in 1943 geboren, heeft hij recht van spreken. Dat laatste werd mij nog meer bewust toen bij de begrafenis van Eckart Wilkens verteld werd hoe zeer zijn vader, die predikant was, zijn gezin iets heeft mee willen geven in muziek, in het lezen van de Bijbel en in onderlinge verbondenheid. Hier werd de taal van het innerlijk gesproken te midden van een wereld die in puin lag. Is het Duits niet de taal van het innerlijk, meer dan het Nederlands of het Engels? Hoe kan die taal worden teruggevonden?

Maar in het oordeel van Eckart dat Duitsland de taal verloren gegaan is wordt niet alleen een gemis gearticuleerd, maar ook een belofte. De terugverovering van de taal staat nu op de agenda, maar die terugverovering is niet louter een terugkeer en een herstel van het verleden. Onder het mom van herstel gaat het om het veroveren van iets dat er in het geheel nog niet was, niet in Duitsland maar ook niet elders: dat het woord, gemoduleerd in imperatief, conjunctief, narratief en indicatief, oftewel drama, lyriek, epos, analyse, zo krachtig gesproken wordt en zo bij de gesprekspartners binnendringt, dat in woord en tegenspraak door het levende gesprek de weg voorwaarts wordt gevonden. Dat kunnen we nog niet (goed). Dat moet nog komen. Soms gebeurt het natuurlijk toch wel en Rosenstock-Huessy heeft daarvoor steeds de term arbeidsgemeenschap gebruikt. Het grote voorbeeld is het naoorlogse (na de Eerste Wereldoorlog maar na de Tweede Wereldoorlog opnieuw) overleg tussen vakbonden en werkgevers over de inrichting van de economie. Volstrekt tegenstrijdige standpunten moeten zo lang tegen elkaar aanschuren dat een weg voorwaarts gevonden wordt, want geen partij kan het zich in rampzalige omstandigheden veroorloven zonder medewerking van de ander het eigen gelijk door te zetten. Op dat moment worden dingen vloeibaar. Men kan het zich niet permitteren onverschillig tegenover de ander te staan en daar is een goed woord voor: liefde tot de vijand. Daar wordt echt gesproken! Maar dat is dus bij uitzondering.

Wat eerst bij uitzondering geschiedt kan later stapsgewijze gewoon worden. En de imperatief om aan de taal een dergelijke kwaliteit toe te kennen, oftewel ons in die mate over te geven aan de taal dat zoiets gebeurt, wordt allerwegen gevoeld. Macht en geweld kunnen de grote vraagstukken niet oplossen. De taal en het gesprek zal het moeten doen.

In elk gesprek oefenen wij weliswaar geweld op elkaar uit, omdat het er niet enkel om gaat elkaar informatie te geven en vriendelijk te blijven, maar vooral iets aan en met elkaar te doen,

zoals Rosenstock-Huessy meermalen zegt. Wij roepen elkaar op de werkelijkheid vanuit een ander standpunt waar te nemen.

Ook voor Rosenstock-Huessy zelf was dat ongewoon. Dat de taal deze kwaliteit kon hebben was een ontdekking! Hoezeer hij ook de ontdekker is van de veranderende kracht van de taal, in hem en in zijn optreden steekt ook een combinatie van de Duitse professor en de Pruisische veldheer. En toch kan hij aan het einde van het boek waarin hij amper interrupties toestaat de mogelijkheid vermelden dat hij eigenlijk ook wel vanuit de vragen van de deelnemers aan het gesprek had kunnen starten. Hoe paradoxaal? Of met andere woorden: hoe zeer was hij toch ook het product van een vorig tijdperk ondanks zijn ontdekkingen? Maar dan, waar zijn die deelnemers? Als mensen zich opstellen als publiek en interessant doen, kan men dat geen deelname noemen. Dus, dan is het beste toch maar weer naar de professor te luisteren. Het is een leerproces voor ons allen.

Met dank aan Eckart

Eckart Wilkens is een stap in dat leerproces: er mag niets gezegd worden dat niet doorleefd is! Die boodschap is de nalatenschap van Eckart Wilkens. Daarin heeft de Gesellschaft zich de laatste jaren geoefend. In dat proces is de Gesellschaft overigens zelf ook weer weerspiegeling van de maatschappij. Wat men ook moge denken van de receptie van Rosenstock-Huessy, allerwegen oefent de maatschappij zich reeds in deze kwaliteit van spreken. Het kan niet anders!

We zouden geweld willen uitoefenen om de ander de neus recht te zetten, maar juist dan maken we alles kapot.

We moeten door praten “eruit komen”,

dat wil zeggen een uitweg vinden uit de druk, een deur die open gaat. Hoe lang de Rosenstock-Huessy Gesellschaft daarvan zelf nog de drager kan zijn is misschien niet eens zo belangrijk. De grammaticale methode die Rosenstock-Huessy voorgesteld heeft als articulatie van deze macht van de taal is weliswaar niet met open armen en met veel navolging ontvangen, maar de noodzaak ervan wordt wel allerwegen gevoeld. Iedereen is ermee bezig. Laat dan slechts een klein groepje bezig geweest zijn met het traderen van deze stem, anderen waren al bezig en misschien meer dan mensen binnen de Rosenstock-Huessy Gesellschaft dachten, met dit inoefenen van waarachtige en omvormende taal. Op een bepaald moment gaan die lijnen elkaar wel vinden. In dat vertrouwen gaan we verder in het spoor waarin wij Rosenstock-Huessy in de rug hebben. Dat geeft moed. En nu ook Eckart Wilkens.

Categorieën
Actueel

Anno Domini 2020

aarde zonder centrum

Klimaatoplossingen vanuit een onverwachte hoek

Iedereen die vanuit het punt waar we nu staan probeert vooruit te blikken, loopt op tegen de kwestie van het klimaat. Hebben juist wereldwijd zo ongeveer alle nationale staten de westerse erfenis van techniek en welvaart overgenomen (of daar net mee bezig), moeten zij met de westerse wereld deze erfenis overwinnen en opnieuw door de bocht. Dat is een enorme verandering. En …

… wie verandering zegt, zegt Rosenstock-Huessy …

van wie het adagium luidt “Respondeo, etsi mutabor”: Ik antwoord ondanks dat ik daardoor een verandering onderga.

Telkens opnieuw moet er een antwoord komen op een nieuwe imperatief, die zich vanuit de toekomst opdringt, inderdaad, in de gebiedende wijs. We moeten of we willen of niet. Welke religieuze traditie had ook weer de toekomst in het centrum staan? Dat was de stem van Israël, het Jodendom. Hetgeen betekent, dat alleen diegene de stem van Israël serieus neemt, die antwoordt op de uitdaging van het klimaat. De ware God daagt ons altijd uit vanuit een onverwachte hoek.

Nog een Rosenstock inzicht is hier relevant: wij zijn vergroeid met de natuur die wij beheersen. Wij gebruiken de producten van de natuur maar worden daardoor zelf natuurproducten, die zich aanpassen aan het mechanische ritme van de productie, ter wille van overvloedige consumptie: welvaart. Met andere woorden:

Het dagelijkse ritme van productie en consumptie (plus nieuws en evenementen) beheerst ons innerlijke leven. Rosenstock-Huessy noemt dat proletarisering, want het hogere doel ontbreekt eraan.

Zijn voorstel voor een oplossing: wij moeten groter worden dan wie wij zijn. Dat geschiedt aan ons als wij niet alleen met de stroom mee gaan, maar waar het nodig is ook tegen de stroom ingaan en staan voor het in ernst gesproken woord. Het geschiedt ook als wij onze plaats innemen in de keten van het heil door de verworvenheden van heel het menselijk geslacht door de geschiedenis heen in ere te houden en te belichamen. Dat gaat natuurlijk nog wel wat verder dan een Boeddhakop kopen en in de tuin zetten. Wie luistert naar de stemmen van het voorgeslacht, daar waar mensen telkens een gewaagde stap gezet hebben, breidt het eigen handelingsrepertoire uit. En wie geestelijk meer heeft kan materieel met minder toe.

Categorieën
Actueel

Het Amerika van Trump in historisch perspectief

foto centrum Chicago

Recent was in het nieuws dat Trump wel graag Groenland wil kopen van Denemarken. Kopen… Dat is het waarschijnlijk niet laatste uitvloeisel van de ‘Amerika first’ politiek van deze Republikeinse president. Het lijkt lachwekkend, maar wie naar de geschiedenis van Amerika kijkt ziet meer van dat soort aankopen. Bekend is de Louisiana Purchase van 1803 toen Amerika het land ten westen van de Mississippi kocht van Frankrijk. Later is ook nog Alaska gekocht van Rusland, in 1867. Dus waarom niet ook Groenland? Die paar mensen die op dat ijs wonen…

Een eerdere versie van dit artikel is verschenen in: In de Waagschaal (49, nov 2019)

Toch is er een groot verschil in betekenis. Bij de Louisiana Purchase was Amerika nog in opbouw, nog lang geen wereldmacht. De aankoop van Alaska was meer om Rusland te ontlasten. Amerika had er ook zonder gekund. Het idee om ook Groenland te kopen, daarentegen, past in de tegenwoordige politiek die gericht is op grondstoffen, banen, en het handhaven van de levenstandaard van de kiezers. Dat is de manier tegenwoordig voor bijna elke politieke leider om in het zadel te blijven. Imperialisme? Bij imperialisme denken we aan de wil om te overheersen. Het is een scheldwoord geworden. Maar Rosenstock-Huessy meent dat we beter kunnen denken aan een ander verschijnsel, namelijk Empire Building. Oftewel een Rijkscultuur opbouwen zoals ook in het Egypte van de farao’s geschiedde evenals in andere Rijken zoals dat van de Assyriërs, de Babyloniërs, de Perzen, China, Rome. Kenmerk van die Rijken is het afbakenen van het gebied en het onderwerpen van de andere Rijken en Stammen aan de behoefte om de eigen bevolking te voeden en tevreden te houden. Imperialistisch dus, maar voorop stond altijd de interne vrede. Nu herleven dit soort Rijksculturen in het Amerika van Trump, maar niet alleen daar. De prioriteiten van het huidige China, Rusland, Brazilië, of de Europese Unie zijn niet heel verschillend. Het gaat om een wereldwijde ontwikkeling. Opvallend is het wel dat de 20e eeuw juist een einde heeft gemaakt aan alle keizerrijken die er tot dan toe nog waren: van Ethiopië tot Japan, van Duitsland tot China. En keert dat nu weer terug?

De Rijkscultuur moet terugkeren!

Maar het moet, zoals alles wat terugkeert, gezuiverd terugkeren.

Aan de geschiedenis van Amerika laat Rosenstock-Huessy in zijn lessen uit 1954 (onder de titel Universal History te vinden op de Amerikaanse website https://www.erhfund.org/) zien dat ook Amerika vanaf het tijdperk van de kerk terug leeft naar het tijdperk van Israël, van Griekenland en dat in de 21e eeuw (maar dat begon reeds in de 20e eeuw) Egypte aan de beurt is. De presidenten van Amerika van voor de Eerste Wereldoorlog zouden zich nooit bekommerd hebben om de broodvraag en om de economie. Daar ging de politiek niet over.

De geschiedenis van Amerika begint met de puriteinse gemeenten die zich juist willen onttrekken aan het Europese imperialisme. Zij wilden een zuiver leven leiden als christelijke gemeenten die alles met elkaar delen. Dat is een terugkeer van de kerk van de eerste eeuw na Christus. Maar voor deze gemeenten was ook het volk Israël het ideaal: een leven van gerechtigheid als volk dat geen overheid boven zich (nodig) heeft, maar waarin God de leiding heeft, de God van het verbond met het volk dat hem volgt. Dat ideaal is Amerika blijven begeleiden min of meer tot aan de burgeroorlog in de 19e eeuw. Daarna, maar ook al daarnaast was er een ander ideaal, waarvan de architectuur van het Capitool en zoveel andere regeringsgebouwen getuigt: de Griekse democratie te doen herleven. Net als de Grieken voerden de Amerikanen handel over heel de wereld, maar net als bij de Grieken hield de politiek zich daarvan afzijdig. De politici van de Griekse stadstaten gingen over oorlog en vrede en over de rechten van slaven en lijfeigenen, maar niet over de broodvraag.

Met vier fasen in zijn geschiedenis heeft Amerika vooruit geleefd de toekomst in door tegelijkertijd de blik te richten op een steeds dieper verleden als inspiratiebron.

Europa heeft iets soortgelijks gedaan. Drie fasen hebben we al genoemd: de christelijke gemeente, het oudtestamentische volk, de Griekse democratie. Wie nog verder terug gaat komt uit bij de tijd van de Rijken en Stammen. In een rijkscultuur staat het voeden van de massa’s centraal. In een stamcultuur staat de beleving van de eigen identiteit centraal. Wij maken een terugkeer mee van die beide grootheden.

Is die vierde fase onvermijdelijk? Ja volgens Rosenstock-Huessy wel – alle verworvenheden van het verleden keren terug.

Maar opstanding is niet hetzelfde als reïncarnatie. Wat terugkeert is niet een kopie.

Dat moet juist vermeden worden. Eigenlijk is de wereldeconomie al één geworden. Het ideaal dat het Egyptische rijk oorspronkelijk dacht te kunnen realiseren was precies dat: de hele wereld omvatten en in een gebied te verenigen. Zij konden ook niet weten hoe groot de wereld was en een 1500 km lange Nijl was al heel wat. En om niet aan uitbuiting en onderdrukking te doen moeten de huidige wereldleiders (geen godenzonen!) hun imperia beschouwen als deel van die nu wereldomvattende eenheid. Slechts als een aandeel. Voorgaande Rijksculturen streefden ernaar wereldomvattend te worden. Nu moeten ze. Maar zonder dat een enkele politieke macht zich daarvan het middelpunt kan maken. Dat gaat niet meer. Ook Trump kan zijn ultieme troefkaart, de bom, niet gooien en hij weet dat. De anderen ook.

Wereldleiders die zichzelf toch het middelpunt willen maken komen in de verleiding de eigen identiteit te vereeuwigen, de eigen stam te cultiveren. Stammen kunnen niet zonder vijandbeelden. En omdat het inmiddels onmogelijk is dat er nog stammen buiten de muren van het rijk leven (dat kon nog bij de Romeinen en bij China) richten verschillende groepen in de ene wereldomvattende samenleving zich tegen elkaar.

Terrorisme heet dat. Of iets onschuldiger discriminatie en nationalisme.

Ooit heeft de christelijke gemeente instaan-voor-elkaar (plaatsbekleding) in plaats van eigen identiteit gesteld en stamhoofden en godenzonen afgeschaft door de gekruisigde Christus in het centrum te zetten, die voor-de-ander leefde/stierf. Door te sterven voor de ander of daartoe bereid te zijn werd een deur geopend naar onderlinge zorg en samenwerking tussen volken en stammen en rijken en gewone mensen, een deur die tot dan toe gesloten bleef. Vanuit dat feit heeft het herleven van al die andere fasen ook zijn zin. Ze moeten herleven, maar gedecentreerd om zo te zeggen. Ze hebben hun centrum niet meer in zichzelf. Het Rijk is wereldomvattend geworden, maar wordt niet meer bestuurd vanuit een centrum. Althans, dat moet voorkomen worden. En stammen, dat wil zeggen in zich gesloten groepen van grote saamhorigheid – ook die moeten terugkeren. Maar zoals het Rijk niet alle ruimte mag innemen, zo mag de Stam niet meer alle tijd opeisen. Dat wil zeggen: hechte wij-groepen kunnen zich alleen maar een tijdelijk bestaan veroorloven. Hun groepidentiteit mag er zijn, maar alleen tijdelijk, alleen als bijdrage aan het geheel.

Dat moet zo, want anders wordt de plaatsbekleding van de een voor-de-ander ongedaan gemaakt. Dan zou de deur naar de A/ander die door Christus geopend is weer gesloten worden. Dan leven we wereldwijd opnieuw in compartimenten. Dat zou het einde betekenen van het christelijke tijdperk.

Maar juist het christelijke tijdperk heeft zoveel deuren tussen mensen onderling geopend dat een terugkeer naar het voor-christelijke tijdperk van gesloten compartimenten niet meer mogelijk is. De techniek, vrucht van het christelijk tijdperk, maakt dat wij in een wereldwijde ruimte leven, als buren van elkaar. Zouden we erin slagen terug te gaan naar voorchristelijke tijden, dan zou het geweld dat wij elkaar aandoen en kunnen aandoen vele malen groter zijn dan het destijds ooit was.

Het einde van het christelijke tijdperk kan daarom alleen maar de vorm aannemen van wederzijdse vernietiging. Dus, we moeten wel verder. Of we willen of niet. We kunnen niet terug.