Categorieën
Actueel

Identiteit, zeggenschap en zeggingskracht 1

Deel 1: Strijd over identiteit

Zo’n 40 jaar geleden was het ongebruikelijk om trots te uiten over de identiteit als Nederlander. Nationaliteit, wat betekende dat nog? Wij moesten groter denken en verder kijken. Een Nederlands paspoort? – dat was alleen handig. Hoe heeft het debat over identiteit, nationaliteit, racisme en uitsluiting zo’n vlucht kunnen nemen? Voor een deel is het een reactie op het neoliberalisme en voor een deel en reactie van verschillende groepen op elkaar. Op het neoliberalisme kom ik nog, maar eerst het laatste: Als Nederlanders zich laten voorstaan op hun nationale identiteit, in ultrarechtse politieke partijen, dan is dat juist voor anderen aanleiding om op de schaduwkanten van dat Nederlanderschap te wijzen. De dag dat ik dit schrijf is Keti Koti, de herdenking van het slavernijverleden. Pas heeft de Vlaamse schrijver David van Reybrouck een dik boek gepubliceerd over het koloniale verleden van Nederland in Indonesië, onder de titel Revolusi. Eerder heeft hij een boek over Belgisch Congo geschreven. Je staat versteld van het geweld waarvan de Nederlandse koloniale geschiedenis vol is. Als jij denkt dat je dan trots kunt zijn op de Nederlandse identiteit, weten anderen je wel op je nummer te zetten.

Maar het debat over identiteit is ook deel van een grotere beweging: de boeren vragen om erkenning en de klimaatactivisten, de bankiers en het schoolpersoneel en de mensen die voor of tegen zwarte Piet zijn – ze hebben een boodschap te brengen, maar ze hebben ook behoefte aan erkenning. Zij willen delen in een gemeenschappelijk besef, een wij-gevoel. Daar kun je je aan optrekken.

Identiteit houdt in dat je je vereenzelvigt met een collectief, een groep. Wij hebben veel overlappende identiteiten. Dat is de boodschap van Sinan Çankaya in zijn boek Mijn Ontelbare Identiteiten. Hij is voluit Nederlander, en met een Marokkaanse achtergrond. Bart Brandsma, in zijn boek Polarisatie, wijst op het wij-zij denken en de polarisatie en vijandigheid die er het gevolg van zijn. In lijn daarmee kan er nog een Duitse auteur genoemd worden, Hamed Abdel-Samad, die in zijn boek Schlacht der Identitäten ongeveer dezelfde boodschap heeft als Brandsma. Wij moeten leren ons in elkaar te verplaatsen. Hoe heeft het gevoel van identiteit zo belangrijk kunnen worden? Een belangrijke reden is de ontworteling die het neo-liberalisme teweeg gebracht heeft. Wij zijn nummers geworden in reusachtige organisaties. De zeggenschap die mensen hebben over het werk dat ze doen en ook de zeggenschap in het maatschappelijk verkeer is daardoor verminderd. Als gevolg daarvan is ook onze zeggingskracht achteruit gehold. Wat is zeggingskracht? Het is het vermogen om een eigen oordeel onder woorden te brengen in een gezonde wisselwerking met het evenzeer onafhankelijke oordeel van anderen. In een volwassen dialoog corrigeer je elkaar en vul je elkaar aan. Maar wij zijn geestelijk verzwakt. We hebben er meer dan vroeger behoefte aan ergens bij te horen en met een groep mensen aan de goede kant te staan. Dat is een gevolg van onze ontworteling, het functioneren als een radertje in de machine.

3 reacties op “Identiteit, zeggenschap en zeggingskracht 1”

Ontelbaar geduld

In ‘Mijn ontelbare identiteiten’ van Sinan Çankaya komt het misverstaan van een mens schrijnend dichtbij. Sinan Çankaya wordt gevraagd om te spreken op het veertigjarige jubileum van zijn vroegere middelbare school. Dat is natuurlijk bijzonder, maar het roept ook allerlei vergeten herinneringen uit die tijd wakker. Geboren uit Turkse ouders moest hij al jong laveren tussen wortelen en willen vluchten. Waar hoort hij bij, is hij Nederlands, is hij Turks? Maar bij het Turkse dorp van zijn ouders, tijdens de familievakanties, voelt hij geen enkele aansluiting. Afkomstig uit een Nijmeegse krachtwijk zoals dat heet, een sociaal zwakke buurt, is hij als gepromoveerd academicus niet meer één van hen. Op een gegeven moment doet hij onderzoek naar discriminatie bij de politie, maar tijdens een workshop zegt een leidinggevende: ‘Toen ik jou de eerste keer zag lopen in de gangen dacht ik: wat een onguur type!’ De man verwoordt, naar eigen zeggen, zijn onderbuikgevoel.

Het boek van Çankaya gaat over etiketten plakken, iemand wordt zwart of wit gestempeld, geschoold, ongeschoold, guur of onguur. Maar al die oordelen staan ook voor evenzovele misverstanden. Onderbuikgevoelens die ongegeneerd bij de ander worden neergelegd, hebben als uitwerking dat iemand apart komt te staan met alle kwalijke gevolgen van dien.

Het stempelen van mensen, zoals Sinan Çankaya overkwam, doet de gemeenschap ineenschrompelen. Vraagt dit moreel beraad? Of vraagt dit misschien vooral een bredere kijk op dat wat gemeenschap inhoudt? Daarbij moest ik denken aan dat wat Rosenstock-Huessy over Franciscus van Assisi schreef in De grote revoluties: ‘Zijn armoede en zijn bedelaarsprincipe maakte het zijn volgelingen mogelijk een nieuw leven te leiden.’ Oftewel: er is een nieuwe orde nodig. Nieuwheid in de persoonlijke, maar ook in de maatschappelijke verhoudingen. Voor Franciscus van Assisi betekende menszijn, meebewegen in een steeds uitbreidende gemeenschap. De gemeenschap die hij met God ervaart wil hij uitbreiden naar nieuwe, meer omvattende terreinen.

Laat ik een poging doen om dit concreet te maken. Dat wil ik vervolgens toespitsen op de zorg. Hoewel meerdere maatschappelijke terreinen genoemd kunnen worden, is het met de coronacrisis in het achterhoofd duidelijk hoezeer de zorg onder druk staat. Vanwege mijn ernstig gehandicapte zoon heb ik afgelopen maanden opnieuw ontdekt hoe precair daar het evenwicht is. Maar ik begin met een verhaal van Kikker en Pad van Arnold Lobel. Het specifieke verhaal heet ‘De tuin’.

In het verhaal komt Pad bij Kikker en hij ziet daar een prachtige tuin. En Pad wil ook een tuin. Gelukkig krijgt hij wat zaadjes van Kikker. En vol ongeduld gaat hij naar huis. En meteen maken we kennis met het karakter van Pad.

Pad bracht zijn kop heel dicht bij de grond en schreeuwde:
“Nou zaadjes, ga maar groeien!”
Kikker kwam het paadje ophollen.
“Waarom maak je zo’n lawaai?” vroeg hij.
“Mijn zaad wil niet groeien,” zei Pad.
“Je schreeuwt ook te veel,” zei Kikker.
“Die arme zaadjes durven niet eens te groeien.”

Dat lawaai is een interessante. Kortweg gezegd: als een leidinggevende over een ‘onguur type’ spreekt, dan maakt hij veel lawaai. Zoals ten tijde van de coronacrisis veel managers bij instellingen vooral lawaai hebben gemaakt. Dan moet er ten tijde van de crisis opeens met alle geweld protocollen worden geschreven, rapportages worden gemaakt, enzovoort. Een gesprek met betrokkenen staat vaak niet of nauwelijks op het netvlies.

Zorg bestaat voor een belangrijk deel uit het o zo belangrijke evenwicht tussen ouders – verzorgenden – en bewoner. Met het oog op Kikker en Pad, zijn drie punten van belang zijn tussen zorgverleners, verzorgenden, ouders en bewoners:
• Zorgverleners, managers, betrokkenen en bewoners hebben elkaar nodig. Anders vervalt eén van de betrokkenen, voordat je het weet, tot geschreeuw.
• Zorg vraagt (getuige de zaadjes van Kikker die tijd nodig hebben) om geduld. Geduld is meer dan efficiëntie en het beheersbaar maken van een probleem.
• Zorg vraagt niet in de laatste plaats om gepaste zorg. En wat gepast is, wijst niet naar wiskundige formules. Dat wat gepast is wordt kenbaar vanuit het gezamenlijke gesprek. (Denk aan dat gesprekje van Kikker en Pad.)
In het verhaal viel Pad uiteindelijk in slaap. Maar toen Kikker hem wakker maakte, je raadt het al, toen eindelijk waren de zaadjes niet meer bang, ze stonden op een prachtige manier boven de aarde. Otto Kroesen stelt vanuit Rosenstock dat verantwoordelijkheid en visie weer teruggebracht moeten worden op de werkvloer. Met Kikker en Pad in mijn achterhoofd denk aan de concrete taak om de betrokkenen binnen een maatschappelijk veld te benoemen. Wie praten ermee? Vervolgens lijkt het mij van groot gewicht om zoiets als ‘geduld’ handen en voeten te geven. Waar bestaat geduld uit? In Dienen op de planeet zegt Rosenstock het zo: ‘Nu het gaat om een samenwerkingsverband van alle werkende krachten, zal opnieuw een schare, een groep mensen opgekweekt moeten worden, mensen die bepalend zijn voor de kunst geduldig, langzaam, onopvallend, en zonder er beter van te worden, bezig te zijn.’

Rein Hoekstra, Dordrecht

Lastig die identiteit.

Het is lastig om nog wat toe te voegen aan dit thema. Er is al zoveel over geschreven. Soms harmonieus, maar vaak ook met, laat ik me voorzichtig uitdrukken, de nodige nadruk. De coronapandemie heeft nog eens extra manifest gemaakt hoe groot de verschillen zijn. Verschillende mensen geven dan ook uiting aan hun bezorgdheid dat de zaken uit de hand kunnen gaan lopen, waaronder de ons bekende Hans Boutellier. Leidt de strijd om identiteiten niet tot onbeheersbaar geweld? Hans Goslinga in Trouw van 10-12-2021 schrijft over de identiteitspolitiek die de debatten in de tweede kamer zo vaak kenmerkt. Identiteit leidt tot polarisatie, tot strijd. Ook in het boek van Çankaya speelt die strijd een rol. Strijd om een volwaardige plaats onder de zon. Wie je bent, hoe je Sitz im Leben is, bepaalt (mede) de keuzes die je voorstaat in politiek, in werk, in de samenleving. En natuurlijk, zonder identiteitskwesties ook geen politiek. Verschillen zijn nodig. Zonder deze verschillen zou het leven maar een saaie boel worden. Mensen als Sylvana Simons of Caroline van der Plas staan meer dan eens voor een frisse inbreng in het politieke debat juist ook vanuit een krachtig ingenomen positie. Een sterke identiteit speelt daarin ontegenzeggelijk een medebepalende rol.

Maar het kan ook fout gaan. Zowel in de samenleving als in de politiek. We hebben met de communicatiemiddelen op het internet een meningen-snelweg gecreëerd die het mogelijk maakt ongebreideld ongezouten opvattingen, meningen en oordelen over mensen en groepen van mensen te laten horen. En de gevolgen daarvan blijven niet beperkt tot het worldwide web. Steekpartijen, doodsbedreigingen en pesterijen zijn aan de orde van de dag, laten sporen achter en met enige regelmaat zelfs doden. Wappies, niet-gevaccineerden, gevaccineerden, extreemrechtse of dito linkse standpunten, wederzijdse verachting en ondoordachtheid strijden om de voorrang. Op alle accounts moeten ze kunnen worden geventileerd. We hoeven geen blad voor de mond te nemen, moeten ons kunnen uitdrukken, veroordelen en beoordelen wat we willen onder de schutse van de (wettelijk verankerde) vrijheid van meningsuiting. Ieder wil zijn eigen gerechtigheid, geldingsdrang of haat tot uitdrukking brengen. De huidige situatie met alle communicatiemiddelen van heden, lijkt in veel opzichten op de tijd van de eerste automobiel op de straat. Wel auto’s, maar geen snelwegen, geen of onvoldoende regels voor de hantering van het (snel)verkeer. Dat betekende ooit veel (verkeers)doden. Oplossingen voor de problemen die technieken met zich brengen, hinken altijd achter de ontwikkelingen aan.
Het is de vraag of er niet ook regels moeten komen voor het menselijk gedrag over en weer in de publieke ruimte, zoals er ook regels zijn voor de confrontaties in de politiek.

Opvallend vond ik een oplossing van Rudi Visker in het boek Vreemd gaan en Vreemd blijven. Hij betoogt dat we wel kunnen denken dat wel de groeiende hoeveelheid verschillen wel kunnen overbruggen, maar dat we daartoe praktisch gesproken niet in staat zijn. Dat hoeft nog niet eens te betekenen dat de verschillende talen die binnen de identiteitskoepels gesproken worden onvertaalbaar zouden zijn in elkaar, maar dat het een simpel mens niet gegeven is om dat overal en altijd te kunnen. Anders gezegd: we moeten wel met elkaar samenleven, maar het is tegelijkertijd heilzaam en wijs om te erkennen dat we dat niet (zonder meer en/of altijd) kunnen. Wie kan er nu van alle mensen houden? We zouden daarom symbolen moeten kunnen oprichten. Waar? Wel, In de publieke ruimte waar we op een of andere manier moeten aangeven dat we bestaan en ook waarvoor we staan, wie we zijn. Daarvoor zouden we symbolen moeten vinden, die we in die publieke ruimte achter kunnen laten als stille getuigen van onze aanwezigheid. We hoeven er dan niet steeds opnieuw en in steeds overtreffende trappen uiting aan te geven.

Als voorbeeld haalt hij het fenomeen van de rouw aan. Vroeger was dat een periode die gebonden was aan uiterlijke tekenen. Men droeg zwarte kleren, een rouwband en dat allemaal voor een bepaalde tijd. Maar dat hoefde niet te betekenen dat de rouwende geen vrolijkheid kende of plezier in het leven zou kunnen hebben. Men wist immers dat hij of zij een periode van rouw doormaakte. Wel, zo zouden we ook kunnen omgaan met al die verschillende identiteiten. Want we kunnen niet doorgaan met overal en altijd uiting geven aan woede en ressentiment. Benadrukken van verschillen, vooral van de kleine verschillen, leidt meestal tot meer strijd. Over geweld wordt vaak gezegd dat geweld, geweld oproept. Dan kan ook gelden voor verschillen. Verschil roept verschil op.

Een ander voorbeeld is dat van de Waarheid en Verzoeningscommissie in Zuid-Afrika. Dit heeft hem zelfs op het idee gebracht dat met dergelijke symbolen in de publieke ruimte het aangedane leed zichtbaar wordt gemaakt. Niet zozeer om te kunnen onthouden wat er is gebeurd, maar opdat het ook vergeten kan worden of misschien beter gezegd, dat we het niet voortdurend in ons bewustzijn hoeven te houden, dat we het kunnen parkeren. Het doet me denken aan de nogal eens herhaalde opmerking van ERH, dat we mensen hun maskers moeten gunnen. Dat geldt evenzeer voor groepen of naties. Ik denk hierbij aan onze dodenherdenking, die het mogelijk maakt niet steeds stil te hoeven staan bij het verleden. Iets wat onverlet laat dat er mensen zijn die elke dag geconfronteerd worden met de gevolgen en trauma’s van bijvoorbeeld WOII.

Zo’n pleidooi komt in de buurt van het voorstel dat er behoefte bestaat aan opnieuw de stam, aan hechte samenhangende groepen. Een sfeer waar we (min of meer) onszelf kunnen zijn en omgeven worden door krachtige sterke relaties. Maar ook een sfeer waarin we, dankzij symbolen als hiervoor genoemd, weet hebben dat anderen (andere groepen) leven van waarden die net zo belangrijk zijn voor hen als de onze voor ons. Ik weet niet precies hoe dergelijke ontwikkelingen zich laten omschrijven, laat staan hoe het ‘georganiseerd’ moet worden. De kern waar het Rudi Visker om gaat is dat de verschillende identiteiten moeten worden beschermd in de publieke ruimte. Maskers bieden bescherming. Ze voorkomen gezichtsverlies.

Een dragende gedachte in deze benadering is dat onze identiteit voor wie dan ook niet iets is dat volslagen helder is. Ook niet voor onszelf. De verwachting vaak geuit door populistisch rechts dat we er heel gelukkig van worden met elkaar, wanneer we ons wenden naar de verworvenheden van onze gewoonten, gebruiken, feesten, standbeelden, nationaal erfgoed of trots, kortom naar alles wat geassocieerd is met onze nationale identiteit, is een gevaarlijke drogreden. Onze eigenheid is juist niet iets waar we vrijelijk over kunnen beschikken. Integendeel. Het eigene is nu juist iets wat we ons niet eigen kunnen maken. Het is er al voor we het ons kunnen toe-eigenen. Het zich toe-eigenen wordt daarmee onmogelijk. Onze huidskleur of ons geslacht, onze herkomst maken al deel van ons uit voor we ervoor kunnen kiezen. Onze waarden en normen bezetten ons eerder dan wij hen. Ze zijn deel van ons en tegelijkertijd vallen we er niet mee samen. In mijn diepste eigenheid, zit (dus) ook iets on-eigens, iets vreemds dat niettemin wezenlijk bij mij hoort. We kunnen het niet beheren en beheersen als een set bankafschriften. Dat zou ons allen tot enige bescheidenheid moeten stemmen.

Hiermee is niet alles opgelost natuurlijk. De rol van het recht of van de politiek is hiermee helemaal nog niet besproken, terwijl ook daar het nodige over is te zeggen. Dit is niet meer dan een kleine aanzet tot gedachtenvorming. Hopelijk helpt het mee het geweld te beteugelen. Niet het geweld van onze identiteit(en), maar in de meervoudigheid van de samenleving het ‘algemeen belang’ zoeken dat niemand eigen is, maar waarzonder ook niemand kan. Misschien maakt zoiets meer gesprek mogelijk dan het gesprek van allen met allen.

Beste Jan
Dank voor je bijdrage. Ik maak graag enkele opmerkingen:
1.’We kunnen onze verschillen niet overbruggen’, schrijf je. Mijns inziens volkomen terecht. ‘We kunnen niet van iedereen houden. Ik verwijs naar het oeuvre van Hannah Arendt. Zij stelt dat we alleen in vrede met elkaar kunnen leven als we elkaars anders zijn accepteren. Dat is het beginsel van de pluriformiteit. Daaraan moet worden toegevoegd dat het van realiteitszin getuigt om een onderscheid te maken tussen het publieke levensterrein en het privé levensterrein. Privé hebben we behoefte aan ons eigen ‘stam’-verband. Gaat het om samenleven in de publieke ruimte, dan gaat het erom dat men elkaar de ruimte geeft. Dat neemt niet weg dat we die ruimte hebben te delen en dat doen we omdat we gedeelde belangen hebben. Ter ondersteuning roep ik de tijd-as van ons bestaan (Rosenstock-Huessy) in herinnering. In het ‘stam’verband van het persoonlijk gedeelde leven delen we lief en leed. Dat spant zich uit tussen wat samen hebben beleefd en van betekenis achten (ons verleden) en waartoe wij ons gezamenlijk inspannen om een toekomst te hebben, een toekomst voor onze kinderen en kleinkinderen, maar ook voor alles wat we met onze geestverwanten van waarde achten. Het is onze persoonlijke tijdslijn die zich strekt naar wat wij kunnen overzien. In het publieke levensterrein is de tijd-as van onze samenleving veel langer. Wij baseren onze publieke samenleving op maatstaven die sinds eeuwen alle Westerse ‘stammen’ omvatten en richting wijzen. Daar is in de tegenwoordige tijd de klad in gekomen. We zijn ‘multicultureel’ aan het worden. Dat neemt niet weg dat er in elke cultuur een grondpatroon van medemenselijkheid is te vinden, omdat per definitie ‘cultuur’ staat voor een vorm van samenleving, dus voor een praktijk van rekening met elkaar houden en samen werken om te kunnen bestaan. Ik ontleen dit aan Rosenstock-Huessy. Dus terugwaarts gezien moet er gezocht worden naar wat ons – al verschillen we van stam en cultuur – bindt. Voorwaarts gezien moeten we beseffen dat we ons publieke samenleven alleen kunnen voortzetten als we de dreigingen die ons aller bestaan kunnen vernietigen het hoofd weten te bieden. ‘Het hoofd bieden’ is hier letterlijk wat geboden is: we moeten allemaal ons verstand gebruiken. Maar dat is alleen effectief als we geloven in een gemeenschappelijke toekomst waar voor allen ruimte is. Anders raken we intern verdeeld en in oorlog. De tijdslijn die in onze publieke situatie aan de orde, strekt zich uit over eeuwen. We weten niet wat de toekomst brengt, maar de klimaatconferentie in Glasgow focust op een ons allen bedreigende stip aan de horizon. Voor die strijd is ons aller inzet nodig. Rosenstock-Huessy illustreert het in ‘De adem van de geest’ aan de houding van Romeinse stammen als ze ten oorlog trokken.
De tweede opmerking houdt ik voor 90% achter de tong, want deze brief wordt alweer snel te lang. Je schrijft dat we onze identiteit niet eigen kunnen maken. Mijns inziens moet hier staan dat je je die niet kunt toe-eigenen. Maar eigen maken is een proces waarin we verwikkeld zijn en tot op zekere hoogte succes kunnen boeken, bijvoorbeeld als je erin slaagt je integriteit te bewaren. Iets anders is dat onze identiteit niet ‘af’ is zolang wij leven en dat er onvermoede ontwikkeling en verandering mogelijk is. Zijn we dat eens met elkaar?
Hartelijke groet, Wim (31-10-21)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *