Categorieën
Actueel

Identiteit, zeggenschap en zeggingskracht 2

Deel 2: De grammaticale mens van Rosenstock-Huessy

In de vorige bijdrage heb ik het verlangen naar identiteit in verband gebracht met de behoefte aan saamhorigheid, aan de steun van een groep, een wij. Maar dat is zogezegd maar een aggregatietoestand, een manier van zijn. Wij hebben niet alleen een identiteit, maar we hebben ook onze individualiteit en die valt niet samen met onze identiteit. Wie jij bent, is niet voorgegeven, maar altijd weer een verrassing. Daarvoor vraagt Rosenstock-Huessy aandacht in zijn zogenaamde grammaticale methode. Daarin vraagt hij aandacht voor de verschillende aggregatietoestanden waarin respectievelijk het wij-gevoel, ik-uitspraken, aangesproken worden als jij, en machinaal functioneren als een “het” ons brengen. Daarom volgt hier een overzicht van de aggregatietoestanden van de grammaticale mens in de visie van Rosenstock-Huessy.

De grammaticale methode van Rosenstock-Huessy is niet in het luchtledige ontworpen. Hij heeft zijn ervaringen in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog verwoord. Hij is eigenlijk ook niet op zoek naar een methode, maar naar de grammaticale mens. Een nieuw type mens is nodig. Na de Eerste Wereldoorlog geloofde de gewone man niet meer in het nationale verhaal, niet elders, maar zeker niet in Duitsland. Het was een ontwortelde samenleving. Dat was het eigenlijk al voor de eerste wereldoorlog als gevolg van de grootschalige industrialisering. Ook toen had men dus behoefte aan een wij-gevoel. Het socialisme en communisme vulden dat gat. Het expliciete doel van die bewegingen is wel verbetering van materiële omstandigheden, maar ze waren vooral aantrekkelijk omdat zij ontwortelde arbeiders een gemeenschappelijke identiteit beloofden: een wij-gevoel.

Rosenstock-Huessy brengt dat onder meer naar voren in het boekje Multiformity of man: onder druk van teveel instrumentalisering zoeken mensen steun bij de groep, zo betoogt hij daar. Met instrumentalisering is bedoeld dat je werk teveel herhaalbaar en te machinaal wordt. De “ik” die jij bent speelt geen rol. Je bent vervangbaar. De formule die Rosenstock-Huessy voor deze aggregatietoestand gebruikt is 3=1. Die formule is afgeleid van het feit dat 3 personen nodig zijn om in een 24 uur economie dezelfde functie in te vullen. Het getal 3 is daarbij alleen maar een minimum, het gaat om het staan in rij en gelid, als een “het”. De reactie daarop die het meest voor de hand ligt is het zoeken naar een gemeenschappelijke identiteit. Die wordt daardoor vaak uitvergroot en neemt mythische vormen aan. De formule die Rosenstock-Huessy daarvoor gebruikt is ∞=1, een onbepaald aantal deelnemers is samen één. Dat is een formule voor het wij-gevoel. Dat zovelen later gemakkelijk van het socialisme overgingen naar fascisme en nationaal socialisme wordt zo ook begrijpelijker. Dat waren eenvoudig andere versies van “Samen staan we sterk”.

Als Rosenstock-Huessy stelt dat in de 20e eeuw de stam weer opleeft, dan bedoelt hij dit verschijnsel, dat wij ons een collectieve identiteit aanmeten en daar onze moed om te zijn aan ontlenen. Alleen staan moet voorkomen worden. De kracht en de moed daartoe ontbreekt.

Soms moet je dingen zeggen die geen steun vinden bij andere teamleden. Dat doet bijvoorbeeld de whistleblower die iets aan de orde stelt, maar zijn baan verliest. Daarvoor moet je sterk in je schoenen staan. Je wordt op jezelf teruggeworpen. Rosenstock-Huessy stelt daarvoor de formule voor van 1=1. Tenslotte is er nog een vierde aggregatietoestand, namelijk dat je niet in die eenzaamheid blijft steken maar in dialoog gaat. Dan staat de vernieuwer niet eenvoudig buitenspel, maar de deelnemers in de dialoog proberen een brug te slaan tussen traditie en verandering. Daarvoor is de formule 2=1 op van toepassing.

Die laatste twee aggregatietoestanden van de mens zijn nodig voor een volwassen houding van onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid. De grote vraag is nu en toen: hoe kom je aan zulke mensen? Want zulke mensen en alleen zulke mensen vormen de ruggengraat van de maatschappij.

Categorieën
Actueel

Identiteit, zeggenschap en zeggingskracht 3

Deel 3: Voorbij het collectivisme

Deel uitmaken van een groep en je identificeren met de denkbeelden van die groep is maar een van de vier grammaticale aggregatietoestanden van de mens: wij-zeggen. We moeten verder gaan dan dat. Maar waarom hebben we dit wij-gevoel zo nodig? Dat komt door de organisatie van de arbeid. Grote hiërarchische bedrijven schrijven ons voor wat we moeten doen, denken en voelen. We worden te veel aangestuurd en laten ons teveel aansturen. We leven te veel in de aggregatietoestand van een het. In onze vrije tijd zoeken we compensatie voor een verschrompeld bestaan op het werk. Op het werk doen we ons kleine ding. Wij groeien niet aan ons werk en komen daardoor niet toe aan die aggregatietoestanden die ons meer persoon en meer verantwoordelijk maken: ergens voor staan en de dialoog kunnen aangaan. We leven en werken in reusachtige apparaten, maar gedragen ons als geestelijke dwergen. Onmachtig en bang leven we ons in de vrije tijd uit aan de meest eenzijdige en extravagante identiteiten. Dat gaat van hobby’s, tot influenzers volgen en schoonheidsidealen, tot trots op de Nederlandse identiteit, tot racisme, tot complotdenken. Elke mythe is goed. Een mythe is een verhaal en zwakke mensen zoeken een wij-verhaal om niet op hun persoonlijke verantwoordelijkheid aangesproken te worden, maar zich achter iets te verschuilen. Zoals Sinan Çankaya zegt: wij hebben ontelbare identiteiten. Maar we hebben die in fragmenten. Met allerlei winden en tendenzen waaien en bewegen wij mee.  Zolang we op dat niveau blijven zeggen we eigenlijk: mijn naam is haas!

Achter een groepsidentiteit kun je je verschuilen. Het is zaak door te groeien naar een persoonlijke stellingname en het vermogen elkaar aan te spreken. Niet onze vrije tijd maar ons werk geeft vorm aan de maatschappij van de toekomst. Als wij in het werk en in de maatschappelijke werkelijkheid onze zeggenschap kwijt geraakt zijn, moeten we dan niet in de eerste plaats daar wat aan doen? Want als wij geen zeggenschap uitoefenen, gaat ook onze zeggingskracht verloren. Wij hebben dan na een poosje ook niets meer te zeggen en we kunnen het dan ook niet meer.

Onze identiteit is alleen maar onze achtergrond. Daarom is een pleidooi voor tolerantie en begrip nog teveel symptoombestrijding.  Willen we echt de strijd der identiteiten overwinnen dan moeten we verantwoordelijkheid en visie weer terugbrengen op de werkvloer en de werkplaats, het klaslokaal en het ziekenhuis. Professionaliteit is nodig. En minder aansturing. We hebben mensen nodig die wat te zeggen hebben en mee kunnen praten. Daar kunnen bovendien veel overbodige managementkosten mee voorkomen worden. Zulke verantwoordelijkheid en professionaliteit moet op zijn beurt niet vrijblijvend zijn maar ook risico’s meebrengen. Men moet wel verantwoording afleggen en afgerekend kunnen worden op resultaten. Weliswaar zal niet iedereen dat aankunnen. Maar naar de mate dat mensen die verantwoordelijkheid aankunnen moeten zij ook die gelegenheid hebben. Daarmee wordt een andere toon gezet en een andere norm geïntroduceerd. Dat hebben we nodig.  Dan ontvalt vanzelf alle steun aan diegenen die op hun werk zich niet durven uitspreken en dat in hun vrije tijd compenseren en zich uitleveren aan de mythen die in hun groep gangbaar zijn. Het is jammer dat de genoemde auteurs daar weinig oog voor hebben.