Rosenstock-Huessy: Tijdgeest, mythe, oorlog
Tijdgeest, mythe, oorlog
Sinds 1789 vervullen kranten de rol van de Heilige Geest. Ze weerspiegelen immers de publieke opinie, en Talleyrand heeft zich daar net zo goed voor gebogen als Roosevelt. De tijdgeest werd verafgood. De namen ‘Krant’, ‘Die Zeit’, ‘Der Monat’, ‘Die Neuesten Nachrichten’ en de vormen van het tijdschrift werden toonaangevend. De „Horen” van Schiller en Goethe gaven de uren en de tijdgeest de Griekse namen van de seizoenen om hen hun waardigheid te verzekeren. „De dichter moet modern zijn, modern van top tot teen”, riepen Arno Holz en Johannes Schlaf uit.”
Maar sinds de wereldoorlogen hebben het nieuws en de laatste berichten zo vaak verslag gedaan van bommen en branden, dood en verderf, dat de tijdgeest moeite heeft om zich als god te handhaven. In plaats daarvan is er een nieuw woord op het toneel verschenen. Het woord ‘mythe’ is tegenwoordig schering en inslag. Zelfs de Bijbel, die voorvechter tegen alle mythen, moet worden ‘ontmythologiseerd’. Daarmee wordt echter bedoeld dat de antieke mythen, die de Bijbel bestreed en overwon, tegenwoordig niet meer werken; de ‘opstanding’ en het lege graf stonden bijvoorbeeld tegenover de vondst van het lijk van Osiris en de liturgische opwekking van dat lijk. Aangezien we Osiris noch begraven, noch tot leven wekken, is de opstanding als wapen tegen het tot leven wekken dus overbodig. In zoverre is de – misleidende – uitdrukking ‘ontmythologisering’ gekoppeld aan de overwinning van de moderne tijdgeest op de overblijfselen van het antieke heidendom.
Maar dit geschrift is geschreven om te waarschuwen dat de tijdgeest van de 19e eeuw in de twintigste eeuw is uitgegroeid tot een mythe. Overal waar in 1830 de tijdgeest werd verafgood, heerst vandaag de dag de horigheid aan de ”mythe”. De mensen hebben de mythe nodig, zeiden Jean Guesde, Mussolini, Goebbels, Stalin, Freud en Jung, Prinzheim en Pius XII. “De strijd van de Bijbel tegen de mythen dreigt tot stilstand te komen door de ongelukkige woordkeuze van Bultmann. Want de leken passen zijn begrip ‘ontmythologisering’ niet toe op Osiris en alle andere verwante heidense culten waaraan het Nieuwe Testament een einde heeft gemaakt, maar op de Bijbel zelf. De vloedgolf van moderne mythen stort zich vandaag de dag, dus op hetzelfde moment, over ons heen waarin het tot nu toe gebruikte tegengif, de Bijbel zelf, gerubriceerd wordt onder mythencreatie. Daarom voel ik de behoefte om het onmisbare proces van mythevorming in ons eigen leven en in het leven van de politieke machten nader te bepalen. Waarom wordt de loutere ‘tijdgeest’ van de 19e eeuw een mythe in de 20e? Wat is een mythe eigenlijk? Waarom kunnen we niet zonder? Waar stuit hij op zijn grenzen? Alleen als we de nationale mythen serieus nemen, kunnen we het overwinnen van deze mythen begrijpen als de taak van de politiek.”
Dit zijn dus onze stellingen:
Het naïeve gebruik van het woord ‘tijdgeest’ is niet langer toegestaan. De tijdgeest wordt verdrongen door de mythe. Maar uit het verband tussen tijdgeest en mythe volgt dat we zonder mythe net zo min kunnen leven als we ooit zonder tijdgeest hebben geleefd. Terwijl de tijdgeest echter naïef werd vereerd, zijn de mythen levensgevaarlijk. De mythe is de voortdurende kinderziekte van elke groep die aan meer dan één tijdperk, en dus aan meer dan één tijdgeest, is overgeleverd.
Een van deze stellingen is het inzicht dat het nieuwe fenomeen van mythevorming in het heden niet langer veel te maken hoeft te hebben met de Romeinse, Germaanse of Griekse mythologie. Onze hedendaagse mythen vloeien voort uit onze eigen levensnood en levenswijze. Waarom ontstaat er een mythe? Deze vraag betekent niets anders dan de vraag: wat is een mythe? Maar de vraag „wat” kan alleen met een definitie worden beantwoord. Definities zijn geschikt voor natuurverschijnselen en wiskunde. In de menselijke samenleving daarentegen is elke definitie willekeurig. Alleen onze eigen ervaringen dwingen ons toe te geven dat haat en liefde, democratie en dictatuur werkelijk bestaan. Daarom moet degene die hoopt zijn toehoorders of lezers mee te nemen in zijn eigen ideeën, spreken over gebeurtenissen.
De mythe ontstaat tegenwoordig altijd daar waar we ideeën over de tijd uit een ver verleden moeten of zouden moeten overnemen. Om het gewicht van deze bewering te versterken, voegen we hieraan toe: elke historische overlevering wordt mythisch zodra en zolang degenen aan wie zij wordt doorgegeven, in het verleden leven. Op dit punt moet iets worden gezegd over de plaatsmythe. Want de theorie van de afgelopen eeuwen heeft plaatsen en ruimtes immers naïef de overhand toegekend en daardoor over het hoofd gezien dat elke plaats in zijn tijd, elk land in zijn tijdperk en elk huis op zijn moment vorm krijgt. Dus laat hier slechts kort aan de lezer, die zich zorgen maakt over de ruimtelijke mythen, worden gezegd dat natuurlijk elke deelruimte ons even mythisch omhult als de tijdgeest. Dat kan niet anders, want elke vastgelegde plek in de wereldruimte belichaamt een afgelegde tijd. Ruimten zijn tijdsperioden. Want elke ruimte is een voorbijgegane, in de tijd doorgelopen ruimte. Alleen zo ontstaat zij! Het ouderlijk huis is vaak slechts een standaardwoning. Maar we hebben er in alle richtingen ontelbare stappen in gezet. Alleen daardoor is het ons ouderlijk huis. Het proces van dit doordringen bepaalt dat we het fragment ‘ouderlijk huis’ uitlichten uit de ruimte als geheel. Het grondgebied, de rijksgrenzen, de Chinese Muur, de dorpsgrenzen zijn ruimtes die tijdens het overgaan van grenzen zijn vastgelegd. Het verleden belichaamt zich in ons geheugen door middel van dergelijke afgelegde trajecten, overschreden grenzen, doordrongen gebieden.
Dergelijke ruimtes krijgen een mythische kracht, en wel des te meer naarmate deze ruimte vaker wordt doorkruist en des te zeldzamer wordt overschreden. We mogen onze aandacht dus blijven richten op de tijd; deze wordt geïsoleerd van de tijdgeest en de mythe, en de tijdsperioden en ruimtes volgen dan automatisch op elkaar.
Voor wie ‘vóór de tijd’ luistert, verandert elk verslag in een mythe. Deze zin is onbegrijpelijk voor degenen die van de tijd alleen de abstracte voorstellingen van de Kantianen of natuurkundigen kennen. De abstractie ‘tijd’ staat immers in het enkelvoud en abstraheert zowel van de tijdsduur – uur, dag, jaar, generatie, eeuw – als van de kwaliteiten toekomst, verleden of voorverleden = plusquamperfectum of imperfectum {= wordende tijd). Abstracte tijd is kinderlijke tijd. Natuurkundigen of wiskundigen zijn als zodanig, wat de geschiedenis betreft, kinderen. Niemand is, wat de werkelijke tijd betreft, dommer geweest dan Einstein of Descartes. Het was immers hun beroep om de tijd vóór de tijd te beschouwen.
Hiermee leren we iets fundamenteels over de eigenaardigheid van de tijd in vergelijking met de dingen. Wie van de vele afzonderlijke stoelen abstraheert omdat hij het begrip ‘stoel’ moet definiëren, heeft alle mogelijke stoelen in gedachten. De abstractie komt dus pas achteraf, nadat de ruwe ervaring van het zitten op verschillende stoelen is opgedaan. De abstraherende definitie laat datgene weg wat weliswaar bij de afzonderlijke stoel is ervaren, maar achteraf als toevallig kan worden weggelaten: ik heb wel eens op leren stoelen gezeten. Maar daarom is de abstracte stoel niet noodzakelijkerwijs van leer.
Met het tijdsbesef ligt het precies andersom. De natuurkundige spreekt hoogdravend in het enkelvoud en op abstracte wijze over de tijd, niet nadat, maar voordat hij die heeft ervaren. We moeten voortdurend vóór de tijd over de tijd nadenken. Dat komt doordat elke tijdseenheid zijn eigen bijzondere kwaliteit heeft. Een dag bestaat niet uit 24 uur. Dat beweert alleen de natuurkundige. Een maand of een week bestaat geenszins uit dagen, want maandag, zaterdag en zondag hebben in het ritme van de hele week hun onvergelijkbare kwaliteit.
Een klein kind weet weliswaar al wat een dag is, maar pas op school leert het wat een week inhoudt. Pas na het hele eerste schooljaar en na de vakantie leert het wat een jaar is. Zelfs studenten weten echter zelden wat tien jaar zijn. Een mensenleven, laat staan een eeuw, zijn voor hen volkomen sprookjesachtige begrippen.
Toch vertellen we hen over eeuwen. We praten over Luther en Thomas van Aquino en over de apostelen en de piramides, en de laatste tijd ook over honderdduizend of vijfhonderd miljoen jaar. De theologen weten zelfs het een en ander over het hiernamaals en de eeuwigheid. Dit alles roept mythen op bij degenen die deze voor hen onbekende tijdsduur in zich opnemen.
Als ik dus een wetenschappelijk college geschiedenis geef aan mijn studenten, dan nemen zij op hun beurt deze voor mij met veel moeite vergaarde ‘wetenschappelijke’ feiten puur als mythe op, voor zover zij moderne proletariërs zijn. Proletariër is namelijk ieder mens voor wie een jaar menselijke solidariteit de langste tijdservaring is die hij ooit heeft doorstaan.
Een burger is iemand die een heel mensenleven aan solidariteit als maatstaf voor zijn beslissingen tot zijn beschikking heeft. Adellijk zijn mensen die vier of vijf generaties in hun handelen laten meespelen. Een moderne zakenman moet zich vaak met nieuwe werkgroepen inlaten; hij wordt immers voortdurend ergens anders ingezet, zodat ook de politiek voor hem een dagelijkse gebeurtenis wordt. Zo interpreteert hij alle beslissingen die de toekomst voor eeuwen bepalen verkeerd, als louter dagelijkse gebeurtenissen, waarmee hij ze verwart. Vanuit dit perspectief krimpt de Tweede Wereldoorlog in tot de telegramuitwisseling tussen Hitler en Chamberlain op 24 augustus 1939. Dat wil zeggen: het uitbreken van de oorlog wordt een mythe.
Veel Duitsers beschouwen tegenwoordig de jaren vanaf 1943 als het Duitse economische wonder, de jaren 1945–1943 als de Duitse ramp, en de jaren 1933–1945 als de tijd van Hitler. Dat is allemaal een mythe.
De periode van 1914 tot 1945 vormt één geheel. De twee wereldoorlogen vormen één geheel. De industriële revolutie had ons mensen echter zozeer tot ‘tijdproletariërs’ gemaakt, dat een zo baanbrekende gebeurtenis als de wereldoorlog door twee generaties moet worden meegemaakt om juist daardoor van haar mythische glans te worden ontdaan. Want waar twee generaties zich in vertrouwen voor elkaar openstellen, lukt het om verder te reiken dan de beleefde tijd van een enkel menselijk bestaan. Epochen worden nooit door individuen beleefd. Individuen zijn niet in staat om epochale ervaringen op te doen. Want alleen wie zich verenigt met medemensen uit andere tijden, kan tijden die zijn bewuste bestaan te boven gaan, ‘beleven’. De gewone man, die zich niet wil inlaten met wat buiten zijn eigen levenservaring ligt, is niet in staat om de geschiedenis te begrijpen. Natuurkundigen of Ernst Häckel zijn niet in staat om de geschiedenis te begrijpen. Want in het experiment en in de zintuiglijke ervaring worden de tijdsduur die nodig is voor het ontstaan van tijdperken opzettelijk verborgen en ontoegankelijk gemaakt. Alleen voor degene die graag aan zijn voorvaderen denkt, opent het verleden zich. Alleen voor degene die vanuit het einde van de wereld terugdenkt naar zijn eigen tijd, opent de toekomst zich. Profeten die het heden vanuit het einde beoordelen, worden tegenwoordig verward met voorspellers die vanuit het heden de toekomst afleiden. En dankbare erfgenamen, die trots zijn op hun vermogen om zichzelf in het verleden te herkennen, worden verward met trotse edelen en voorouderverheerlijkers, die zichzelf afleiden uit het verleden.
“Ik ontsta als profeet en als schepper wanneer ik het begin en het einde in mijn eigen tijdsbeleving ervaar. Daarvoor moet ik heel jong en heel oud kunnen zijn, oer-nieuw en oor-oud. Maar wie alleen vanuit de tijdgeest leeft, is slechts jong. Deze jongensachtige jeugd is niet in staat om tijd te ervaren. Daarom was de jeugdbeweging mythisch. Zonder de ervaring dat het verschil tussen jong en oud van ondergeschikt belang is, ja, dat dit onderscheid het onmogelijk maakt om langere tijdsperioden te ervaren, leven de mensen mythisch. Want zij verkorten de tijden tot onder hun ware tijdsbestek. ”
De afzonderlijke generatie en het individu zijn dus niet in staat om de geschiedenis te begrijpen. Er is evenveel geschiedenis als er vertrouwen is tussen de generaties zodat ze met elkaar samenwerken. De jonge Fransen die in 1929 zeiden: „la guerre ce sont nos peres”, kwamen overeen met de jeugdbewegers in Duitsland, die zich in hun jeugdland verschansten. De mythe hield de jeugdbewegers in Duitsland en de jonge zonen in Frankrijk een blinddoek voor de ogen. De mythe stelde hen in staat hun eigen tijdgeest los te koppelen van de opeenvolging van generaties, in de context waarvan de geschiedenis zich vormt.
Om de lezer, die zijn voorstellingen bijna altijd ontleent aan de abstracte tijd van de natuurkundigen, in staat te stellen de onvermijdelijke mythische tijd van elke zuivere tijdgeest te overwinnen, bied ik hem twee wegen aan; de ene is die van zijn eigen ervaring. De andere is die van de soldaten uit de twee wereldoorlogen. Het klinkt misschien ongelooflijk, maar het is niettemin waar dat de filosofen, van Parmenides tot Heidegger, nooit over de ervaren tijd hebben gesproken, maar altijd alleen over een abstracte tijd. En het is even ongelooflijk maar waar dat de eenheid van de twee wereldoorlogen onmiddellijk duidelijk wordt voor wie in staat is de loutere tijdgeest als een zuivere mythe te doorzien. Dit zijn echter twee zo onbetreden wegen dat ik nadrukkelijk wil benadrukken dat de lezer hier de leerling, de student, de krantenlezer en de natuurwetenschapper in zichzelf moet vervangen door de mens die nog in staat is om zelf ervaringen op te doen.
Hoe ervaren we tijd en ruimte?
Het moment is de enige onmiddellijke tijdseenheid die we tegenkomen. Alle grotere tijdseenheden zijn sociale constructies. De totale ruimte is de meest onmiddellijke ruimtelijke ervaring. Alle onderverdelingen van die ene ruimte zijn sociale, historische beperkingen. Het geheel en het moment zijn dus de meest ruwe empirische waarneming van het aan zichzelf overgelaten individu, dat in de panische angst van zijn eenzaamheid overgeleverd is aan ruimte en tijd. Het individu komt pas tot rust wanneer het een ruimte binnen de menselijke wereld vindt die het uit het universum haalt en waarin het thuis mag zijn, en wanneer de uren, dagen en jaren, in plaats van de stortvloed aan louter ogenblikken, het de troostende samenhang van de vluchtige ogenblikken verzekeren.
De mens haalt opgelucht adem wanneer jij hem meer tijd verschaft. En hij haalt opgelucht adem wanneer hij een thuis vindt. Deze opluchting hebben we allemaal nooit aan onszelf te danken, maar aan de gemeenschappen met anderen waar we deel van uitmaken. De grenswaarden ‘het geheel’ en ‘het moment’ zijn in theorie ten minste voor individuele personen empirisch toegankelijk. Daarentegen zijn alle echte ruimtelijke indelingen en tijdsbruggen zuivere geschenken van de gemeenschap. Daarom is het goed onderbouwd dat naakte individuen noch ruimtes, noch tijden kunnen ervaren. Geen enkel individu zou weten wat zijn thuis of wat zijn eeuw is. We kunnen ons natuurlijk mythisch opstellen tegenover de landsgrenzen en tegenover de perioden. Dat gebeurt zodra wij die kleiner zijn dan het Al = ruimtes zoals het universum = en die groter zijn dan het ogenblik = tijden als een moment behandelen. Elk idealisme doet dat; want het idealisme gaat uit van de abstracte tijd en de abstracte ruimte. De idealisten beginnen allemaal met het wiskundige gedachtenkader, waarin alleen maar louter schema’s voorkomen: punten, rechte lijnen, vlakken, kubussen en soortgelijke gebrekkige en verzonnen abstracties. Tot Gods schepselen behoren noch punten, noch rechte lijnen, noch vlakken, en evenmin behoort ‘de’ tijd daartoe. Veeleer is ons verstand niet in staat om de goddelijke schepping, die in elk stofdeeltje onvergelijkbaar is, anders dan abstract te vatten. De wiskundigen verlagen het levende schepsel tot meetbare natuur. Ik heb nooit begrepen dat mensen er prat op gaan dat ze met hun abstracte, rechte, eendimensionale lijn iets ‘beters’ produceren dan de echte – en juist daarom gebroken en onherhaalbare – lijnen van de werkelijkheid. En zo dan nu ook nog eens met het wiskundige punt! Wat is dat toch voor een lege bewering, die achter de werkelijke wereld aanhinkt. De waarheid is: ons brein werkt slechter en niet beter dan God. Het zet steigers op rond Gods huis. Maar sinds wanneer zijn steigers beter dan het gebouw zelf? Wat al geldt voor de uitspraken van de meetkunde, is ook veel meer waar, want veel meer ingrijpend voor onze beoordeling van de tijd. Wat een aanmatiging is het om over de tijd in het enkelvoud te spreken. Wie zich inbeeldt over de tijd te kunnen denken als een rechte lijn, als een object van het denken enzovoort, spot met zichzelf, hij weet alleen niet hoe. Want terwijl ik in staat ben om de stoel waarop ik heb gezeten te abstraheren, omdat ik ook kan staan of liggen – en dus zonder stoel kan bestaan –, zijn de werkelijke tijden onvermijdelijk ook om mij heen tijdens de tijd waarin ik er schuchter over redeneer. De overvloed aan tijden: dit uur, dit jaar, deze eeuw, dit wereldtijdperk overspoelen mij, zoveel tijden tegelijk!
Al deze tijden weerklinken in die 15 september 1956, waarop ik redeneer. En de gehele 15 september 1956, in al zijn tijdsdimensies, rust op mij als een zware last. Ik moet deze datum, in al zijn tijdsdimensies, verdedigen, volhouden, doorstaan, vertegenwoordigen, belichamen. Met behulp van deze daad doe ik veel belangrijkere uitspraken over de tijd dan met mijn overige, door mijzelf verrichte abstracties. Ja, de daden zijn zo belangrijk dat mijn abstracties in het niets vallen, als ze niet juist voortkomen uit deze eigen daden van mij op deze dag, ter verdediging of ter vernietiging van onze tijdrekening.
Daarom is de abstracte uitspraak van professor Rickert of Heidegger over de tijd en de geschiedenis minder interessant dan de keuze van Heidegger tegen het communisme en voor het nazisme. Want de daden die uit dergelijke keuzes voortvloeien, blijven verankerd in de werkelijke rijkdom van de tijd. Daarom zijn ze ernstiger dan de denkspelletjes van de professor over “de tijd”. De gedachten over de tijd hebben geen gevolgen; de daad, die uit de tijd voortkomt en in de tijd verdwijnt, heeft dat wel. De gedachte die afziet van haar naaste bron van informatie, is een gecompromitteerde gedachte en juist daardoor waardeloos. Waardeloos is alles wat met een verdeelde ziel wordt gedacht. Het gewicht van elke waarheid wordt afgemeten aan de mate van heelheid van haar vertegenwoordiger. Wie alleen met zijn hoofd denkt, is slechts een schoolmeester. Wie ook met zijn geslachtsorganen, zijn hart en zijn maag denkt, denkt gewichtiger of, om de idealisten te citeren: wezenlijker. Zijn hele wezen is immers doordrongen van deze gedachte. Juist daarvan hangt de waarde van alle gedachten af, over tijden en ruimten heen. Laten de onwerkelijke meetkundigen van het punt en de rechte lijn maar ruziën over tijd en ruimte. Ze zijn er zelfs nog trots op dat ze erbuiten staan.
“Van de ruimten, de verblijfplaatsen van de levenden, van de tijden, de tijdperken van de doden, kan een meetkundige niets weten, tenzij hij zijn meetkunde zou vergeten! Door meetkundige te worden heeft hij zich immers uitdrukkelijk uit de tijden losgerukt, en zo razen ze nu als ruiterloze paarden aan hem voorbij. Toen de Europese historici de geschiedenis wilden meten alsof ze meetkundigen waren, hebben twee wereldoorlogen Europa verwoest. Alleen hebben de historici zelf nog niet opgemerkt dat zij de wereldoorlogen hebben veroorzaakt. Daarom hebben ze waarschijnlijk met zo’n onvruchtbaar fanatisme de oorlogsschuld van iedereen onderzocht, behalve die van de historicus. Daarmee komen we bij het tweede punt dat het heden uniek maakt: het onmenselijke karakter van de wereldoorlog in zijn twee delen, de Eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog. Wie begrijpt dat een mythe een verafgoodde tijdgeest is, voor voor diegene gaan de ogen open voor het feit dat de mythen van de Eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog samen nodig waren om één enkele waarheid achter beide mythen aan het licht te brengen. ”
Ik ga nu in op het blootleggen van deze relatie tussen mythe en waarheid. Tussen 1914 en 1945 is de oorlog ontaard. Wat al duizenden jaren vaststond, namelijk dat oorlogen in vrede uitmonden, werd ontkend. De formule van generaal Grant uit een burgeroorlog in Amerika, „unconditional surrender”, werd toegepast op oorlogen die geen burgeroorlogen waren en die daardoor bij toepassing van deze dwaze formule onoplosbaar werden. „Unconditional surrender” was namelijk een formule voor een wapenstilstand, maar zonder gevoel voor vrede.
Laten we dat eerst even duidelijk stellen. Onder burgers geldt één recht. Als er een burgeroorlog uitbreekt, houdt het recht niet op om als een overkoepelend principe boven de beide strijdende partijen te staan. In 1865 drongen de Unie en het recht van de Unie er bij de zich overgevende separatisten op aan om terug te keren naar de vroegere grondwet. In een openlijke oorlog is er echter geen terugkeer naar de vroegere orde, want daarin is juist het ontbreken van een gemeenschappelijke grondwet de oorzaak van de oorlog! De capitulatie die een einde maakt aan het schieten, is slechts een wapenstilstand. Voortaan eist de wereldoorlog zelf onze aandacht. Want het is geen toeval dat de oorlog, omdat er geen vredesverdrag was, in twee delen uiteenbarstte – in de Eerste Wereldoorlog en in de Tweede Wereldoorlog – ja, uiteen moest barsten! Daardoor is de oorlog tot iets mythisch gedegradeerd. Hij is ten prooi gevallen aan de loutere tijdgeest. Dit gebeurde voor het eerst in de wereldgeschiedenis in 1918 en 1945; toen een wapenstilstand werd verward met een vredesverdrag, slaagde men erin juist die gebeurtenis, dankzij welke elke mythe wordt overwonnen, aan de loutere tijdgeest prijs te geven!
Want oorlogen zijn het volksgeneesmiddel tegen elke particuliere mythe. We willen hier niet de vraag stellen of oorlogen juist daarom uitbreken, om elke deelmythe te bestrijden. Maar we willen aantonen dat elke oorlog de tijdgeest dwingt de tijd in haar samenhang te plaatsen. Dit bewijs is eenvoudig. Maar het wordt hier nuchter, als het ware wiskundig, aangevoerd. Alle oorlogen, zo beweren wij, getuigen van een groter uithoudingsvermogen dan welke tijdgeest dan ook. De oorlog dwingt het opzichtige zelfbewustzijn van allen die louter tijdgenoten zijn afstand te doen van zijn macht. Want de oorlog eist van degenen die de oorlog op zich nemen een herwaardering van hun vredesbewustzijn. Het vredesbewustzijn, het bewustzijn van de burger in vredestijd, is juist de tijdgeest. In de oorlog komen we daar niet mee weg; bij het uitbreken van de oorlog verdwijnt de loutere tijdgeest, of anders is de oorlog verloren. Want de oorlog wordt beslist naar de mate waarin de levende generatie strijders bereid is zich op te offeren ten gunste van de eenheid van verleden en toekomst.
Oorlogen genezen de tijdgeest. Zonder oorlogen zijn mythen ongeneeslijk. Dit zal de moderne libellen, socialisten, verlichters of humanisten niet duidelijk zijn, aangezien zij geneigd zijn oorlog als overbodig te beschouwen en zichzelf als vrij van mythen. Wie niet toegeeft dat hij zelf ten prooi kan vallen aan de eigen tijdgeest, kan de strijd tussen mythische vrede en heerszuchtige oorlog niet erkennen. Hij zal alles wat hem tegenstaat, dus bijvoorbeeld mythen en oorlogen, over één kam scheren. Maar wie bijgeloof ziet als de onvermijdelijke metgezel van het geloof, en wie weet dat niemand ooit heeft geleefd vanuit kennis of ongeloof, maar ofwel vanuit geloof ofwel vanuit bijgeloof, die zal het zich niet zo gemakkelijk maken. Ik weet dat ik niet de enige ben die door de geschiedenis sinds 1905, sinds de Russisch-Japanse Oorlog, gedwongen is geweest zijn vooroordelen over oorlog en vrede te herzien. ‘“De zin van de oorlog” – het is niet populair om in deze zin te geloven. Maar zonder de zin van de oorlog heeft de menselijke tijdrekening geen zin. Sta mij daarom toe, vriendelijke en juist daarom geduldige lezer, drie hypothesen te poneren
- De strijd is natuurlijk en gebeurt vanzelf; elke vredesovereenkomst is bovennatuurlijk, want deze moet uitdrukkelijk worden gesloten en kan nooit ‘vanzelf’ tot stand komen
- Elke dergelijke vredesovereenkomst na een conflict wiegt de vredestichters in een zekerheid die hen een tijdloze mythe aanpraat. En een mythe is de verheerlijking van een deel van de tijd of de ruimte alsof deze altijd en eeuwig zou heersen.
- Oorlogen dwingen de samenhang af tussen een louter tijdperk of ruimte-perk en zijn tegendeel, zijn vijanden of zijn buren in de ruimte, zijn voorganger en zijn opvolger in de tijd.
- Daarom is het gerechtvaardigd te beweren dat oorlogen ontmythologiseren. Er zijn hiervoor twee grandioze voorbeelden: de Trojaanse oorlog en de kruistochten. De epen van Homerus ontmythologiseren. Ze halen de goden van hun voetstuk en brengen de 501 Griekse koloniën en steden bijeen en verheffen ze. Sinds Heraclitus, sinds Plato is Homerus bekritiseerd vanwege zijn ironische omgang met de goden. Maar een oorlog die alle Griekse steden vreugdevol verenigde, moest noodzakelijkerwijs de goden die in de afzonderlijke tempels van de afzonderlijke steden werden vereerd, naar beneden halen. Sinds Homerus heerst in Griekenland het epos in plaats van de cultus, het humanisme in plaats van de religie, het gebruik van de logos als rede in plaats van het gebruik ervan in gebed en mythen.
De kruistochten werden echter door de pausen bewust bedacht omwille van hun homerische effect. Versnipperd over duizenden lokale cultussen, plaatselijke heiligen en feodale kapellen leefde het Westen in een wereld van legendes.
De kruistocht heeft het Homerische tijdperk van het Westen tot stand gebracht. Dankzij de oorlogen tegen de islam werd het Westen in staat om de mythen op te geven ten gunste van de scholastiek, ten gunste van een bevrijd gebruik van de rede. Het is dus waar: oorlogen ontmythologiseren. Godfried van Bouillon verdringt Siegfried, net zoals Hector en Andromache bijvoorbeeld de mythe van Perseus en Andromeda konden verdringen. Homerus heeft de Grieken, het Rolandlied de Europeanen, in staat gesteld geschiedenis te schrijven. Juist dit laat zich niet zonder meer toepassen op de Eerste en Tweede Wereldoorlog. De reden daarvoor moet ons bezighouden. Ik wil de lezer niet aan het lijntje houden, maar meteen uitleggen waarom de oorlog voor het eerst in de wereldgeschiedenis zijn doel – het ontkrachten van leugens – niet heeft kunnen vervullen. Deze oorlog is namelijk niet toevallig in twee oorlogen uiteengevallen. Nee, in dit uiteenvallen van de oorlog, die tot nu toe de dragers van de mythen met geweld bijeenhield, komt de industriële revolutie van de wereld heel duidelijk tot uiting. Deze uitspraak, die in eerste instantie misschien alleen maar mysterieus of willekeurig lijkt, wil ik nu onderbouwen.
Oorlog zou onmogelijk zijn als er geen enkele soldaat bereid zou zijn zijn leven op te offeren. Dit offer van de soldaat is niet mythisch. De soldaat offert immers juist zijn tijdgeest op, datgene wat hij zich als de zin van zijn vreedzame leven onder de burgerlijke tijdgeest had voorgesteld. Een soldaat verbindt de geschiedenis van de oorlogvoerende staat met diens toekomst. Hij is de verbindende schakel tussen de vrede vóór deze oorlog en de volgende oorlog. Daarmee verplaatst elke soldaat – of hij zich daar nu bewust van is en het voelt, of juist niet, dat maakt geen verschil – het zwaartepunt buiten zijn eigen generatie en benadrukt in plaats daarvan de samenhang van het volk door meerdere generaties heen. De dood die van hem wordt verwacht, kan hem alleen worden opgelegd als het zin heeft dat het leven van één generatie wordt opgeofferd om meerdere generaties vóór en na hem te verbinden en te versterken. De gesneuvelden verbinden de erfenis van de vaderen en de vrede tot nu toe met het stichten van een voortzetting in de toekomst.
De vrede zoals die tot nu toe bestond, is daarbij de belichaming van de tot nu toe bestaande rechtsorde. Het met moeite bevochten nieuwe vredesverdrag wijzigt deze rechtsorde in het licht van de nieuwe krachten die tijdens de oorlog naar voren zijn gekomen en die tot dan toe nog niet tot vrede waren gebracht. We mogen dus een stap verder gaan. De soldaat en zijn bereidheid om te sterven verbinden ‘het verleden’ en de toekomst niet op een bloedeloze en astronomische manier. Nee, zij bevestigen de tot nu toe reeds gerealiseerde rechtvaardigheid en zij scheppen het gewijzigde recht dat nodig is voor de nieuwe krachten. Erfgoed van de vaderen en de kracht van de jeugd worden in de oorlog opnieuw met elkaar verzoend.
Dit is echter alleen het proces van vrede via oorlog naar de volgende vrede, als de oorlogsdeelnemers samen met hun vaders en hun kinderen ten minste drie generaties belichamen. Want alleen dan wordt de soldaat de schakel in de keten van generaties die zijn leven inzet om de tijden met elkaar te verbinden. Zonder deze inzet als verbindende schakel kunnen er geen volwaardige soldaten bestaan, maar hooguit huurlingen, strijdbare krijgers, avonturiers en dergelijke.
In de afgelopen duizend jaar bleef de geschiedenis, zowel in de overgeërfde rechten als in de toekomstige volkskracht, te allen tijde aanwezig, ook op het slagveld.
Deze tegenwoordigheid van geest ontbrak nu bij beide wereldoorlogen. Beide hebben slechts een wapenstilstand opgeleverd, en geen vrede. In Versailles waren de overwinnaars niet voor overleg te winnen. Maar dat hoort nu juist bij het sluiten van vrede. Zonder tegenspraak wordt er weliswaar gecapituleerd, maar juist geen vrede gesloten. De mooie uitdrukking „sluiten“ verwijst naar de verbroken keten die opnieuw gesmeed zou moeten worden. Niet alleen werd er noch in 1919, noch in 1945 vrede gesloten. De twee oorlogen werden door de miljoenen soldaten niet gevoerd in drie of meer generaties, maar slechts als gebeurtenissen van hun eigen tijd. Men vergat de eerste keer de toekomst, dat wil zeggen de nieuwe krachten van de economie. En zo mondde de Eerste Wereldoorlog uit in de Russische Revolutie van 1917 en in de economische crisis van 1929. Beide waren gevolgen van de Eerste Wereldoorlog en de ontwrichtingen die deze teweegbracht. De tweede keer vergat men echter het verleden, en zo mondde de Tweede Wereldoorlog uit in louter geweld, zonder recht of gerechtigheid. Korea is daar een goed voorbeeld van.
De Franse jeugd, die mopperde: „La guerre ce sont nos pères”, onthulde het geheim dat in 1914 niet de toekomst de mensen naar de oorlog dreef, maar dat er slechts een afrekening met het verleden plaatsvond. Wankelend de oorlog in – Bethmann-Hollweg en zijn voorganger Bülow op 6 augustus 1914: „Excellentie, hoe is dat dan gebeurd?“ Bethmann, zijn handen naar de hemel heffend: „Ja, wie zou dat nou weten…“ zo verdedigden de oorlogvoerende partijen hun verleden. „Oorlogsdoelen“ werden pas na 1916 kunstmatig verzonnen. Geen van de betrokken staten zou in 1914 zijn volk hebben kunnen mobiliseren vanwege deze achteraf verzonnen oorlogsdoelen! Zonder toekomst, zonder belofte, als fin de siècle gingen in 1914 de lichten in Europa uit! Daardoor werd de oorlog een tweegeneratie-onderneming, die zich afspeelde tussen ‘vaders en zonen’. De vaders eisten en kregen het levensoffer van hun zonen – de strijders van Langemarck, de bloem van Engeland, enzovoort – maar de zonen – Rupert Brooke net zo goed als Walter Flex – waren pure dwazen zonder inhoud, zonder eigen verruimde horizon. Ze verdedigden het recht van de vaders met hun lichaam, zonder zelf echter in dat recht te geloven. De titel van Toergenjevs roman ‘Vaders en zonen’, de Duitse jeugdbeweging, de leraren van de dialectiek van Hegel of Marx: zij allen mythologiseerden de oorlog, omdat ze de drie-eenheid van de oorlogen overboord gooiden. Beperkt tot twee generaties houdt de soldaat op de toekomst op zinvolle wijze met het verleden te verbinden. In plaats van een brug tussen twee tijdperken wordt hij een aanhangsel van het verleden.
Dat we hiermee niets verzinnen, blijkt uit de “Tweede” Wereldoorlog. Het was precies dezelfde oorlog op twee fronten die Duitsland op 4 augustus 1914 en op 4 augustus 1944 voerde. Alles herhaalde zich. Maar deze keer werd de volkssoldaat niet aangesproken op het recht van de laatste vrede, maar uitsluitend op de macht van de Führer in de toekomst. Recht en wet belichamen het verleden. De grondwet is het historische kristal van een volk. De SS spotte met recht, wet en grondwet. Zij wilde de naakte toekomst, met haar opwellende driften en krachten, en zeker geen brug tussen het oude recht en het nieuwe leven. Zo sneuvelde de soldaat in de Tweede Wereldoorlog letterlijk naakt, namelijk voor een onuitgesproken toekomst. Dat de doden in dit bloedbad zonder begrafenis bleven, Sartres ‘Les Morts sans Sepulture’, dat regimentsstaven dagenlang toekeken hoe de SS naakte kinderen, vrouwen en bejaarden doodschoot – dat is geen toeval. ‘De harde levensbehoeften van het Duitse volk’ eisten dit zelfs op in de hoofden van fatsoenlijke officieren: de oorlog was een mythe geworden, omdat hij niet beloofde het oude recht mee te nemen naar de toekomst.
Van 1914 tot 1919 en van 1940 tot 1945 waren de oorlogsdeelnemers slechts halve soldaten. De grootse prestaties van beide generaties brachten de tijdgeesten niet bij elkaar, maar zij overdreven in 1914 de rechten van de negentiende eeuw en in 1940 de verslavingen van de twintigste. Dat is natuurlijk geen toeval. De industriële revolutie had de oorlogvoerende volkeren al ontworteld. De wetten zijn gebaseerd op erfelijkheid. In de industrie hebben echter steeds minder families, en uiteindelijk zelfs de boeren niet meer, iets om te erven. De beroepen, het loonwerk, de spaargelden, het goud, de fideicommissen en ten slotte de boerderijen raakten in verval door de inflatie, de rationalisatie, de mechanisatie — louter de tijdgeest van de conjunctuur. Zo’n mensheid had er ook nooit bestaan. Tot 1800 leefden de geslachten op de lange termijn en alleen de staat op de korte termijn met zijn jaarbegroting. In 1914 was dat precies omgekeerd. Een kortetermijnmaatschappij had de staat als de meest duurzame instelling, en deze maatschappij, die in de plaats was gekomen van de erfvolken, bleek niet in staat om oorlog te voeren. Want zij kon haar strijders de vooroorlogse rechten en de naoorlogse vredesafsluiting niet meer zo diep in het bloed bijbrengen dat zij in staat waren vrede te sluiten.
Alleen een oorlog waarin de soldaten nooit vergeten dat de vijand van vandaag, gisteren en morgen hun broeder was en zal blijven, is ridderlijk, dat wil zeggen: kan worden beëindigd door een vredesverdrag. Nergens is de oude gebedsformule verhelderender dan in de oorlog: Zoals het was in het begin, nu en altijd. Want in de oorlog wordt de aanwezigheid van de Drie-eenheid betwist. Des te helderder zouden zijn verleden en toekomst ons moeten verlichten! De kortzichtigheid van de industriële mensheid heeft juist dit vernietigd.
De soldaten bleven in de mythe daar bij Hindenburg staan, hier bij Hitler. Maar God laat niet met Zich spotten. Oorlog blijft oorlog. En oorlog is Gods geneesmiddel tegen de mythen van onze tijdgeest. Daarom kwam de fragmentarische reeks van de twee afzonderlijke wereldoorlogen in deze dubbele gedaante ter wereld. Het komt niet aan op de tijdgeesten; want elke oorlog roept ons op in de generatie-samenhang van het menselijk geslacht binnen te treden! Oorlogen zijn ‘fylogenetisch’, dat wil zeggen ze hebben te maken met de geschiedenis van de mensheid. Wanneer individuen zich verschuilen achter hun loutere tijdsgeestbewustzijn, zich alleen maar beroepen op het feit dat ze modern en toekomstgericht zijn, of dat ze trouw en conservatief zijn, worden ze onbekwaam tot verandering. Want wij mensen zijn de verbinders van tijdperken, de vertalers van de tijd, de verdedigers van het oude recht en de nieuwe tijd in één! Als wij dat niet zijn, raakt God zijn geduld met ons kwijt en gaat Hij over tot de orde van de dag. De zelfmoordenaar Hitler knielde voor zijn eigen geest; zo valt bij hem niets te leren over de betekenis en de rechtvaardiging van de herhaling, de „Tweede Wereldoorlog“. Hindenburg dacht in 1934 na over de troonsafstand van Wilhelm II. In zijn binnenste woelde geen enkele golf vanuit de toekomst. Zo valt bij hem niets te leren over de betekenis en de toekomst van de Eerste Wereldoorlog. De wereldoorlogen hebben dus een tot afgod verheven tijdgeest ten val gebracht. Samen hebben ze de ware drager van de geschiedenis opnieuw aangesteld, die door de moderniteit, het kapitalisme en het socialisme niet meer werd erkend: het volk dat in ten minste drie generaties noodzakelijk is voor het ontstaan van de geschiedenis. De twee wereldoorlogen zijn één en dezelfde oorlog. Al die mooie periodes van de Weimarrepubliek, het tijdperk van Hitler, het Duitse economische wonder en de Eerste Wereldoorlog zijn speelgoed voor individualisten. Er heeft zich één enkele gebeurtenis voorgedaan: het einde van het Europa dat tot dan toe voor de grote continenten uit trok.
Dit Europa bestaat al sinds het Europese Rijk van Karel de Grote, zijn Regnum Europae. Hoe sneller de Europeanen beseffen dat de Fransen en Duitsers zich niet langer mogen beroepen op de IJzeren Karel en zijn Europa, hoe sneller ze de doden laten rusten, hoe sneller ze de zin van de oorlog erkennen. Het is een goddelijke straf zodra een generatie zich door de tijdgeest laat bedriegen. Maar hij treft met de betoverende vloek van de mythe degenen die een oorlog niet willen zien als een genezer van mythen of als een epische beproeving, maar op het niveau van rovers- en indianenspel van de mensen willen laten.
Waar het gevaar van mythevorming niet langer dreigt, kan van oorlog worden afgezien! Wij moeten ons dus, geleerden en ongeschoolden, van onze eigen mythen bevrijden, voordat de oorlogen ons die mythe toch al ontnemen. Elk beroep heeft zijn eigen mythe, die naar de volgende oorlog drijft. Tegenwoordig zijn de historici van de naties, de natuurkundigen van de materie en de theologen van de ontmythologisering allemaal onervaren in hun eigen beproeving door mythen. Blijkbaar wordt bijvoorbeeld Bultmann niet gekweld door het vermoeden dat hij verblind is door zijn eigen mythe van de hogere kritiek. De bijbelcritici en de Homerus-filologen waren echter de ergste mythefabrikanten van de moderne tijd. Want zij dachten dat zij zelf, door een geheime kracht X – hun moderniteit, hun tijdgeest – niet door enige mythe beïnvloed werden. Maar de tijdgeest is de mythe! En Bultmann is een zuivere, in mythen gelovende aanbidder van zijn wetenschap. Niet vanuit de ontmoeting, maar vanuit de bijbelkritiek zouden de tijden zich voor hem moeten openbaren. Nooit zullen ze zich zo openbaren. Wie uitgaat van zijn eigen wijsheid, aan aan diegene blijft de geschiedenis ontzegd: hij vervalt in de tijdgeest! De theologen Barth en Bultmann hebben de drager van de geschiedenis verkeerd ingeschat. Het individu, het afzonderlijke mensenleven, is niet in staat de geschiedenis te bevatten. Wij, als louter vandaag levende eendagsvliegen, kunnen de geschiedenis helemaal niet waarnemen of ervaren. De bindende namen daarentegen, die ons tot Duitsers, Amerikanen of Zoeloe-heiden maken, de eigennamen en de volksnamen waarmee we worden aangesproken, herinneren ons aan het ritme van drie generaties in de geschiedenis, waarin God ons altijd weer binnenleidt wanneer Hij ons uit onze tijdgeest leidt.
Laten we het nu hebben over de niet-mythische, bovenmythische naam, die in vele oorlogen werkelijk bewaard is gebleven en in de mythe van het Hitler-tijdperk bijna in de vergetelheid is geraakt, opdat de ene ondeelbare Wereldoorlog zijn mytheoverwinnende kracht aan Duitsers en Fransen zou bewijzen en de doden zo niet voor niets zouden zijn gevallen.
Vertaling: DeepL + Otto Kroesen
Dit is een vertaling van een Eugen Rosenstock-Huessy: Zeitgeist, Mythos, Krieg (1956).